Vele methoden zijn aangewend om drugverslaving te lijf te gaan, maar nog altijd is er geen consensus over de juiste aanpak. Het ene land beschouwt de gebruiker als een crimineel, het andere als een patiënt. De komende weken besteedt Trouw zowel door de week als in de bijlage ZENZ aandacht aan 'afkicken': hoe wordt in landen als Singapore, Amerika, Zweden, Frankrijk èn Nederland omgegaan met een van de grootste problemen van deze tijd, de drugverslaving. De vorige afleveringen stonden in Trouw van 9, 13, 16, 21 december, 6 en 9 januari.
Earl (25) is tien jaar verslaafd aan heroïne en ledigt z'n dagen op een parkeerterrein bij 12 NW St in Washington. De eigenaresse van de enige kiosk die er staat, kent hem al die jaren en schuift hem soms wat geld toe. “Dat lokt”, lacht hij ironisch. “Zij wil niet dat ik bedel en of ze wat geeft hangt af van de winst. Maar voor een paar penny koop ik geen heroïne. Ze zegt altijd 'Earl, doe niet zo stom, een sterke vent als jij neemt die drugs niet.'. Ze snapt niks van mijn leven. En als ik haar dat uitleg, zegt ze: 'Je bent nog gekker dan ik dacht'.”
Hij vertelt over zijn jeugd en de nare herinneringen die hij daaraan bewaart. Zijn vader, een middenstander, was zelden thuis en zijn moeder bekommerde zich niet of in elk geval te weinig om Earl. Hij kreeg 'foute' vrienden, stak toen hij elf was zijn eerste sigaret op, en probeerde op zijn twaalfde de eerste joint.
Hij spijbelde van school, bleef 's nachts weg van huis en raakte behalve aan de heroïne ook op het criminele pad. “M'n ouders namen me mee naar de huisarts, die op zalvende toon tegen me zei 'Zo vriend, vertel je problemen maar'. Nou, als ik daaraan was begonnen, zat ik nu nog bij die man. Het was niks, ik verrekte het nog naar hem toe te gaan. M'n ouders zeiden dat ik het dan verder zelf moest uitzoeken. Dat konden ze makkelijk zeggen, want ze hielden nog vier brave kinderen over. Ik heb m'n familie nooit meer gezien.”
Het leven van een junk gaat hem slecht af, geeft hij toe. “Het is één grote shit. Nooit eten, nooit een goed bed, nooit geld. Vrienden heb ik niet, alleen een paar bekenden. Die vrouw van de kiosk, die vindt het wel fijn, als ik om één uur 's nachts bij haar uithuil of m'n gram spuw. Dan heeft ze aanspraak en is ze niet zo bang in haar kiosk. Steeds hamert ze er op dat ik moet afkicken.”
Hij kijkt naar het afdakje boven hem, doet een stap naar voren en staat in de regen. Hij slaat zijn ogen naar de wolken en spert zijn mond wagenwijd open. “Ik drink”, roept hij demonstratief. “Ik ben zwart en God geeft gratis water. Laat het harder regenen God. Mmmm.” Drie kwartier later, in het inloopcentrum voor junks, vertelt hij hoe hij viermaal via de hulpverlening heeft geprobeerd van de drugs af te raken. “Ik verspilde er niet alleen mijn tijd, maar, erger nog, ook hùn tijd”, stelt hij vast. “Als ik niet in Amerika woonde, was ik nu 'junk-af' geweest. Voor junks is dit land niks. Ze doen maar, ze laten je zo makkelijk stikken. Vooral als je junk bent èn zwart.”
Van de ongeveer zes miljoen 'vaste' druggebruikers die de Verenigde Staten tellen, staat slechts twintig procent onder hoede van de hulpverlening. Ze ondergaan gedragstherapieën of zijn aangesloten bij de zelfhulpgroepen. Earl onderging zowel het één als het ander. “Via een dagopvang kwam ik een jaar of zes geleden in therapie”, herinnert hij zich. “Vreselijk. Ik voelde me zo opgelaten. Die deskundigen keken je alleen maar aan en volgden elke beweging die je maakte. Ze zeiden dat ik stikte van de zenuwen, en dat dit kwam door het verdringen van m'n slechte jeugd. Ik wilde gillen, maar m'n keel was droog. Na een dag was ik weg.”
Op zijn 21ste stapte hij uit eigen beweging opnieuw naar een tweetal hulpinstellingen. Maar enig resultaat bleef uit. De verhalen van andere drugverslaafden raakten Earl tot in het diepst van z'n ziel. “Ik kon het verplicht luisteren naar die 'shit' niet aan. Het was voor mij te herkenbaar. Ik ben weggelopen en sindsdien weet ik dat de heroïne mij de baas is. Dat idee went nooit, want elke dag is er de dreiging, dat de politie je oppakt, of dat je dood kunt gaan. Ik weet dat ik verkeerd bezig ben, onschuldige mensen te pakken neem. Maar wat moet ik anders? Ik heb maanden in de bajes gezeten en dacht daar af te kicken. Maar ik kon er zoveel drugs krijgen als ik wilde.”
De kortstondige gesprekken die hij met therapeuten voerde, waren voor hem de bevestiging, dat hij voor de verdere duur van zijn leven is 'gebrandmerkt'. Zij vertelden hem dat hij 'doodziek' was, maar dat voornamelijk toch aan zichzelf had te wijten. “Eén therapeut maakte de vergelijking met een hartpatiënt. Hij zei dat zo iemand niet voor die kwaal had gekozen. Terwijl ik, waar het de heroïne betrof, dat wel had gedaan. Waanzin. Miljoenen mensen vreten zich net zolang vol, totdat ze aan de zuurstof en de monitor liggen. Dat is precies hetzelfde.”
Hij maakt een gebaar van 'Ze kunnen me wat' en zegt dat de tijd daar is. Hij moet de straat op om bij z'n vaste dealer heroïne te kopen. “Verplicht afkicken zou het beste zijn”, besluit hij. “Twee weken in een hok en dan maar creperen. Weet je wat ze zeiden, toen ik dat vroeg? Kan niet, want je kunt er dood van gaan. Alsof heroïne en vuile naalden niet dodelijk zijn.”
Twee uur nadat Earl in de anonimiteit van Washington-stad is gevlucht, zegt directeur David Mactas van het instituut CSAT, verantwoordelijk voor alle behandelprogramma's van de Amerikaanse overheid, dat het jaarlijkse budget van twee miljard dollar ontoereikend is, om àlle junks te bereiken. Mactas plaatst daar kanttekeningen bij.“In die situatie is het de vraag of het humaan is, dat jonge gebruikers ten koste van de zwaar verslaafden worden geholpen. Ik denk van niet, maar de overheid heeft het zwaar. Bezuinigingen troef. De onverbeterlijke junks zijn daarvan als eersten slachtoffer.”
Het is, erkent Mactas, niet het verhaal van de junk, maar dat van de politiek. “Ik ben heel bezorgd voor de komende jaren. Er valt niets van ons op druggebied te verwachten. De campagnes hebben niet geholpen en van de verslaafden die een behandeling hebben ondergaan, vallen de meesten terug in hun oude gebruik. Daarom zegt het Congres: 'Nu is het mooi geweest, het mes gaat erin'. Maar als je mij vraagt, wat ik zou willen, zeg ik: 'Een harde, onsympathieke behandeling'. Verslaafden moet je geen keus geven. Het is de taak van de overheid ervoor te zorgen dat iemand niet zijn leven èn dat van zijn familie kapot maakt.”
Mactas denkt niet dat Amerika ooit het legaliseren van drugs als oplossing ziet. “Onderscheid maken tussen hard- en softdrugs is in onze samenleving al ondenkbaar. Hoewel ik Nederland bewonder, begrijp ik dat onderscheid niet. Het is rampzalig, te doen alsof softdrugs ongevaarlijk zijn. Wij maakten mee dat marihuana-verslaafden hun hele familie uitmoordden, en weten dat honderdduizenden jongeren aan die drug verslaafd zijn. Dan kun je niet verwachten dat er enige bereidheid is om welke drug ook te legaliseren. Zelfs een discussie daarover is ondenkbaar. Maar evenmin mogen langdurig verslaafden aan hun lot worden overgelaten. Ik vrees alleen dat Amerika die weg is ingeslagen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.