Van de 17de-eeuwse Hollandse schilder Johannes Torrentius (1589 - 1644) is maar één schilderij bekend. Het hangt in het Rijksmuseum Amsterdam en heet 'Emblematisch stilleven met kan, glas, kruik en breidel', van 1614. Het ronde paneel is pas in de jaren tien van deze eeuw ontdekt, nadat de grote Bredius een monografie over de schilder had gepubliceerd. De zinnebeeldige voorstelling waarschuwt voor onmatigheid (te veel drinken) en de breidel, nauwelijks zichtbaar opgehangen, laat weten dat onmatigheid ingetoomd moet worden.
Jaren geleden, bij zijn eerste bezoek aan het Rijksmuseum, trof dit paneel de Poolse dichter en essayist Zbigniew Herbert. Vooral de achtergrond fascineerde hem: “Zwart, diep als een ravijn en tegelijkertijd zo vlak als een spiegel, tastbaar en verdwijnend in perspectieven van oneindigheid. Een doorschijnend deksel over de afgrond.”
Hij noteerde de naam van de schilder en ging op zoek naar meer gegevens over hem. Gaandeweg ontstond een beeld van Torrentius' leven, dat in alle opzichten kleurrijk en dramatisch is. In het prachtige essay 'Stilleven met breidel' uit de bundel 'De bittere geur van tulpen' schrijft Herbert: “Het lot van Torrentius doet ons denken aan een roman. Maar wat voor een? Een avonturenroman, of een allegorie?”
Die roman over Torrentius is er nu, geschreven door Theun de Vries, die blijkens zijn verantwoording achterin kennis heeft genomen van Herberts beschouwing en er misschien wel door is aangespoord. Had Herbert niet geschreven: “Het leven van Torrentius is kant-en-klare literaire makelij; het legt een bepaalde stijl op, vereist van de schrijver dat hij een halsbrekend snel verhaal doet, met scherpe contrasten, barokke overdrijvingen, dat hij de hoofdrolspeler modelleert vanuit elkaar tegensprekende elementen, en ook dat hij de kunst verstaat om gemoedstoestanden tot uitdrukking te brengen die variëren van onbekommerde vrolijkheid en een bedwelmd-zijn door de wereld van sensualiteit, tot de gruwelen van de folterkamer en rampspoed. Een betoverend onderwerp.”
De Vries heeft zich in grote lijnen aan dit ongevraagde advies gehouden. Het ligt ook besloten in het leven van Torrentius zoals wij dat uit de bronnen kennen. Hij was in zijn tijd een befaamd schilder van stillevens en trok de aandacht door zijn libertijnse levenswandel. Hij was rijk en gaf veel geld uit in herbergen en bordelen. Constantijn Huygens was over zijn schilderkunst meer te spreken dan over zijn levenspraktijk, en hij zal niet enige zijn geweest. Daar kwam nog bij dat Torrentius met graagte theologische disputen aanging, waarin hij het bestaan van God loochende. Een uiterst belastende aangelegenheid.
Men verdacht hem ervan lid te zijn van het geheime genootschap der Rozenkruisers, een mogelijkheid die De Vries helaas niet heeft aangegrepen (dat zou Vestdijk beslist wel hebben gedaan!). Na een lange tijd van onstuimige en onbeschaamde levenslust - 'Het feest' noemt De Vries die periode terecht - wordt Torrentius plotseling voor het Haarlemse gerecht gesleept onder beschuldiging van het schenden van de zedelijke normen, van ketterij en heiligschennis, en van nog tientallen zaken meer.
Hij verdedigt zichzelf met verve, maar wat hij en zijn advocaat ook tegen de beschuldigingen inbrengen, het mag niet baten. Als hij na de uitputtende verhoren nog aldoor weigert schuld te bekennen, neemt de rechtbank het besluit hem door middel van foltering daartoe te dwingen, hetgeen niet lukt. Hij krijgt dan de doodstraf, die men vervolgens omzet in twintig jaar gevangenschap.
Na enkele jaren echter komt Torrentius vrij op voorspraak van de Engelse koning Karel I, een groot kunstliefhebber, en stadhouder prins Frederik Hendrik. Hij wordt verbannen naar Engeland waar hij als hofschilder in dienst van de koning treedt - over die periode is weinig bekend - en hij keert pas tegen het eind van zijn leven, tegen het verbod in, terug naar Holland, waar hij sterft.
De Vries heeft Torrentius aanstekelijk en levendig geportretteerd en ook de wereld waarin hij zich beweegt, de mensen met wie hij omgaat, zijn vrienden, de vrouwen die hij 'roefelt'. Zijn stijl van vertellen, met veel archaïsmen, roept de taferelen op van 17de-eeuwse meesters, van herbergscènes, stadgezichten, portretten, landschappen.
Hij legt veel nadruk op wat het geheime deel van Torrentius' oeuvre moet worden genoemd en dat niet bestond uit zinnebeeldige stillevens, maar uit zinnenprikkelende voorstellingen, de pornografie van die dagen. Die werd in het grootste geheim verhandeld. Karel I liet speciaal een gezant naar Torrentius afreizen om enkele van deze 'vuilschilderijen' - 'mijn vrijpostige kluchtjes' noemt de schilder ze - te verwerven.
Als Torrentius op een zeker moment in zijn atelier bezoek krijgt van ene dominee Zeelandus en tijdens het gesprek bemerkt dat deze niet zozeer geïnteresseerd is in een portret van zichzelf, maar in dat andere werk, dat achter gesloten deuren verborgen hangt, gaat Torrentius erop in, al uit hij zijn verbazing over het feit dat een nog dienstdoende dominee verscholen achter zijn portret een pornografische scène met jonge naakte knapen wil zien aangebracht.
Later, bij het proces, blijkt 'Zeelandus' een spion van de magistratuur en keert alles zich tegen Torrentius. Al geruime tijd heeft men dan zijn gangen nagegaan en men is tot de conclusie gekomen dat er legio redenen zijn om hem aan te klagen. De zedeloosheid bijvoorbeeld, belichaamd door zijn geschilderde pornografie, zou ook in Torrentius' leven een belangrijke rol hebben gespeeld. De Vries beschrijft de erotische escapades van de lichamelijk zeer aantrekkelijke schilder niet als zondige en aanstootgevende levenswandel, maar als de uitdrukking van zijn onstuitbare levenslust. Zijn libertinisme was zijn tijd ver vooruit, hetzelfde gold voor zijn religieuze opvattingen.
Wat dat laatste betreft: De Vries laat Torrentius weliswaar herhaaldelijk het bestaan van God loochenen, maar hij geeft de schilder wel religieuze sensaties, alleen spreekt deze zich daar tegen niemand over uit. Rijdend op zijn geliefde paard Aleid door de duinen naar de zee, is hem als in een visioen een vrouw aan de einder verschenen, de Grote Moeder, en voelde hij dat hij deel uitmaakte van dit Al. De mystieke natuurervaringen, meer speciaal aan zee, zoekt Torrentius met zijn eenzame paardrijtochten op en koestert hij in de herinnering als zijn gelukkigste levensmomenten.
Alleen tegenover zijn advocaat brengt hij ze ter sprake, wanneer deze hem vraagt of er “geen enkele macht of majesteit is” waarvoor hij buigt. Die is er, antwoordt Torrentius: “Ze is de ziel van alle dingen, de kracht van alle krachten, ze is de levensgeest in mensen, dieren, dingen, in water en vuur, ze is het bloeien en het verdorren, ze is er van eeuwigheid geweest en zal er van eeuwigheid zijn. . .”
De advocaat vraagt dan of hij een soort pantheïsme op het oog heeft. “Ik ken het woord niet, maar begrijp het zo ongeveer. . . Ik bedoel dat wereld en leven tijdloos voortgaan en veranderen, en dat wij geboren zijn om in het tijdelijke te komen en te gaan.” Dus geen hogere heerlijkheid als bestemming? Nee, “de hogere heerlijkheid is híér, ik bedoel op deze aarde, al beseffen de meeste mensen het niet en al sterven ze zonder er ooit van te hebben geproefd. En al lig ik nu in dit cachot, in de diepste vernedering, ik heb die heerlijkheid geproefd. . .”
Na 'Het feest' volgt 'De storm', waarin De Vries het proces tegen Torrentius al even levendig beschrijft. Daarmee is de roman vrijwel afgerond, het drama wordt door dit tweeluik volledig uitgebeeld, maar ook het verdere verloop van Torrentius' leven, ook al is er weinig over bekend, moet nog meegedeeld. Dat gebeurt in twee brieven van zijn advocaat, een uit 1630 toen Torrentius werd vrijgelaten en een uit 1644 nadat hij in Amsterdam is overleden en in de Nieuwe Kerk begraven. Torrentius' laatste woorden zouden zijn geweest: “Ik verga in het onvergankelijke.”
De twee brieven vormen een vakkundige afsluiting van de roman die een opmerkelijk schildersleven vertellend uitbeeldt, rijk gestoffeerd en in een plastische taal.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.