*

 
dossier

Archief

De wind bevecht je niet, die trotseer je

AREND EVENHUIS − 08/02/96, 00:00

De 17 genomineerde industriële produkten zijn t/m 17 maart in de Rotterdamse KunstHal te zien. Op 2 maart wordt het winnende ontwerp bekend gemaakt.

'De Parade' blijkt een displayhouder waarin winkeliers hun reclameborden kunnen schuiven - een reclamesokkel, zeg maar. Na een aanvankelijke tegenzin nam Gerrits en zijn designbureau 'Material' de opdracht aan. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de elektrische tandenborstel staat de functie van een reclamevoet niet bepaald in hoog aanzien. Straten en pleinen zouden er heel wat overzichtelijker en minder kneuterig uitzien als wapperende middenstandsberichten en gefiguurzaagde varkens die hun eigen hammen aanprijzen simpelweg niet bestonden. Maar aangezien die nou eenmaal wel bestaan, kan de industrieel ontwerper er maar beter het beste van zien te maken.

Dus ontwierp Gerrits er op los. “Het is onbegrijpelijk dat flitsende reclame's vaak op knullige displayhouders zijn gemonteerd.” Hij gaf zijn reclamevoet een buik die met 15 liter water gevuld kan worden. Functionele ballast die als contragewicht voor de Nederlandse wind dient. Zijn reclamevoet kan - dat is berekend en getest - aan de kust windkracht 7 en in de bebouwde kom windkracht 9 verdragen. En passant ontdekte de ontwerper nog een functie binnen die functie: “Het wiebeleffect dat door wind ontstaat, verhoogt de attentiewaarde van de reclame.” De wind dus niet als vijand maar als vennoot van de middenstand. De twee 'handvaten' van de tuimelaar duwen het reclamebord bij sterke tot vrijwel horizontale helling terug in vertikale positie. En als 'sterk punt' voert Gerrits zelf de 'low profile produktie' op. 'De Parade' lijkt een fluitje van een cent. Alleen, mooi niet dat m'n zoontje van vier dat Gerrits nadoet.

De natuur, bloem & dier en de mens zelf, spelen een traditionele en functionele rol in industriële vormgeving. Niet per ongeluk lijken hijskranen op armen, soepkommen op scheppende handpalmen, harken en kammen op vingers, paardebloemzaadjes op parachutes, vliegtuigen op vogels, bommenwerpers op vleermuizen, sleepboten op walrussen en onderzeeërs op dolfijnen. Op de vleermuizen na oefenen ze ook dezelfde functies uit. Ook Gerrits beschouwt de natuur en het natuurlijk leven, 'die superieure vorm', als drijfveer. En niet louter omdat hij in Nederland woont, komt wind daarbij veelvuldig om de hoek kijken. Zoals het een industrieel ontwerper betaamt houdt hij zich eerder met functie en vorm dan met 'mooi' of 'lelijk' bezig.

Als afstudeerproject industriële vormgeving aan de TH Delft ontwierp Gerrits de derde generatie praatpaal, die dezer dagen langs de Nederlandse wegen in gebruik wordt genomen. Eerst was er helemaal geen praatpaal omdat er geen auto's waren, laat staan autopech of Wegenwacht. Straks zijn praatpalen misschien niet meer nodig als iedere automobilist een telefoon aan boord heeft, maar ondertussen moet de huidige praatpaal worden vervangen door een goedkopere in aanschaf, die bovendien simpeler in gebruik en goedkoper in onderhoud is. Gerrits ontwierp de praatpaal in opdracht van PTT Telecom (leverancier communicatie), Rijkswaterstaat (financiering) en ANWB (beheer) en is met zijn ontwerp uit zo'n 500 inzendingen genomineerd voor de Rotterdamse Designprijs 1996. Behalve langs de snelweg is zijn ontwerp nu, samen met 16 andere genomineerde produkten, op de jaarlijkse designtentoonstelling in de Rotterdamse KunstHal te zien.

Elke industrieel ontwerper en architect begint steevast met het 'programma van eisen', dat tot telefoonboekdikte kan uitdijen. Het eisenpakket voor de praatpaal viel mee, Gerritse hoefde maar 55 eisen in te willigen. Strenge en soepele, want sommige eisen kregen een verzachtende 'w'. “Indien”, preciseert het programma, “een 'w' achter het cijfer staat betreft het een wens. Een wens hoeft niet vervuld te worden, een eis wel.” Voorbeelden van zo'n wenseis: 'In volledige duisternis moet zichtbaar zijn: praatpaal op 300 meter, drukknop op 1 meter', 'Bij volledige duisternis moet ten gevolge van het licht van een passerende auto leesbaar zijn: nummer op 10 meter', 'Praatpaal/delen moeten geschikt zijn voor recycling', 'De behuizing dient brandvertragend en zelfdovend te zijn'. Die laatste twee wensen kwamen niet uit; per slot van rekening ontwierp hij een praatpaal en geen fontein.

Met een praatpaal, het woord zegt het zelf al, moet moet je kunnen praten, en je moet je kunnen verstaan wat je hoort. Om het stemgeluid van de gestrande automobilist en de ANWB-telefonist te isoleren en om tegelijkertijd het verkeerslawaai te weren, lijkt een kapconstructie voor de hand te liggen, zoals die min of meer nu nog in de huidige praatpaal aanwezig is. Maar uit testen bleek Gerritse dat het omringende verkeerslawaai helemaal niet af te schermen valt. Langsrijdend verkeer veroorzaakt geluid op een lage, monotone frequentie. Pas bij de weerkaatsing tegen geluidswallen levert het een grote golflengte op. Verkeerslawaai zwemt overal doorheen, leerde de ontwerper. Sterker nog: het omgevingslawaai bleek met een kapconstructie zelfs 2 decibel sterker dan zonder. Een dakje kreeg zijn praatpaal dus uitgerekend niet. Nog los van de geluidskwestie overwoog hij heel even een paraplu-achtige overhuiving, maar verwierp die al even snel. Het mogelijke argument om de beller daarmee tegen weer en wind te beschermen viel evenmin in vruchtbare aarde, aangezien “de automobilist bij regen toch al kletsnat is als hij bij de praatpaal aankomt.” Geen dakje dus, voor het geluid niet en voor de regen niet.

Een van de eisen luidde dat ook kinderen en mensen in een rolstoel (de automobilist kan immers bekneld zitten) met de praatpaal moeten kunnen bellen, en daar stuitte de ontwerper op de hoogte. De oren van de huidige praatpaal staan op 1 meter 65, nogal hoog voor kinderen en rolstoelers. Maar je kunt de paal niet ongestraft een halve meter laten zakken, want dan gaan mensen met gemiddelde of uitzonderlijke lengte weer krakelen. Je ook niet zo maar een opstapje voor de paal metselen; dat is 's nachts levensgevaarlijk.

Toch slaagde Gerritse er in om zijn praatpaal 30 centimeter te verlagen, ook al is dat feitelijk onjuist. Met 1 meter 80 is zijn praatpaal zelfs langer dan de huidige. Zijn Eureka-moment, de synthese tussen korte en lange mensen, vond hij in de verlengde oren. Net als het menselijk oor vangt de schelpvorm geluid versterkt en verspreid op. Door alle elektronica waterdicht op één plek te centreren, als de bodem van een bloemkelk, konden de oren leeg maar allerminst nutteloos blijven. De luidsprekers, die de beller niet ziet en ook beter niet moet zien want anders denkt ie misschien dat je daar door moet praten, zitten schuin naast/achter de microfoon en geven het geluid rechtsstreeks aan de oren, die vervolgens als klankkast fungeren. Het lijkt dus alsof het geluid uit de oren komt.

Doordat de oren zeker een halve meter lang zijn, weerkaatst daar het geluid een halve flexibele meter in: dezelfde geluidssterkte dus voor korte mensen onderin het oor en voor lange mensen bovenin. De ontwerper ontwierp vrijstaande oren, niet eens zozeer uit esthetische overweging (al moest de paal natuurlijk wel 'een sprekende vorm' krijgen), eerder uit psychologische (mensen hoeven zich niet opgesloten te voelen) en uit verkeersveilige: al telefonerend tussen de oren kun je het verkeer in de gaten blijven houden. En passant zorgt de stroomlijning van de oren voor een effectieve afwatering, en is de stand van de oorschelpen eerder uitnodigend dan afwerend: “het lijken opengevouwen handen die gebaren: kom maar binnen”.

Buitenlandse praatpalen, zeker de Italiaanse, staan strak van de gebruiksaanwijgingen, hele kolommen met toelichtingen, waarschuwingen, raadgevingen en overige verordenningen beheersen de frontfaçade. De Nederlandse praatpaal kent behalve een pictogram van de hoorn, een nummer en de letters ANWB geen enkele typografie: “hij moet bediend kunnen worden door iedereen, ook 's nachts, ook door buitenlanders.” Er is maar één knop die moet worden ingedrukt om verbinding te krijgen. Dat is een kwestie van aanleren, zoals ook runderen leren dat de kraan opengaat als ze met hun neus tegen het palletje in hun lege drinkwaterbekken duwen.

Nog voordat hij in het landschap werd geplant kreeg de praatpaal al verschillende bijnamen: Broer Konijn, Bucks Bunny, Dr. Spock. Toen Gerrits' begeleidende hoogleraar zijn ontwerp zag en daardoor in vuur en vlam raakte, verwees hij onmiddellijk naar de kelk van een bloem. Dat zelfs de bijnamen naar de natuur verwijzen is misschien amusant maar zeker niet verwonderlijk. Gerrits ontwerpt volgens wat hij noemt 'een expressie van associaties'. Zijn ontwerpen moeten 'betrouwbaar overkomen, een soort bescherming, een zekere geborgenheid bieden'. De paal moet ook een zekere beweging in de richting bezitten - per slot van rekening komt 'om de 2 kilometer in een onbewoonde wereld zo'n ding uit de grond'. Hij filosofeert even over het wezen en verschijning van een vogelverschrikker, die, hoewel eigenlijk niet vormgegeven toch heel essentieel en doordacht in het landschap staat, en zelfs dank zij z'n vijand De Wind, z'n afschrikwekkende functie vervult. “Tegen de wind”, weet de ontwerper, “moet je niet vechten, dat win je nooit. De praatpaal trotseert de wind in plaats van er tegen te vechten.”

Met de aanwezigheid van de praatpaal in het landschap is iets blijvend knagerigs aan de hand. Tegenstrijdig is het woord niet, en toch: aan de ene kant moet de praatpaal niets overbodigs in zich hebben, toch en wel degelijk karakter bezitten en tegelijkertijd over bescheidenheid beschikken. Je moet 'm meteen en van verre kunnen zien en toch mag hij het landschap niet domineren. “Eigenlijk wil ik dat de praatpaal meer het landschap dan de mensen beschermt.”

Aan 'Eis 50' - niet eens een wenseis - kon Gerrits jammerlijk niet voldoen, althans niet voor honderd procent: 'Behoudens insekten mogen geen dieren in de behuizing kunnen komen. De insekten mogen de werking van de praatpaal niet beïnvloeden en mogen niet zichtbaar zijn voor de gebruiker'. Tenzij ze bisonkit meenemen kunnen vogels geen nesten in de oorschelpen bouwen. En wat die vermaledijde insekten betreft verweerde Gerrits zich in zijn verantwoording fier: “Spinnen kunnen zichtbaar zijn voor de gebruiker.”

Bedoeld of onbedoeld belandt de industrieel ontwerper daarmee bij het ultieme industrieële produkt: het spinneweb. Ook wel stadsplattegrond, Internet of ANWB-alarmcentrale geheten.

mailIcon print |