Er schuilt een tegenstrijdigheid in. Het CNV wil de politiek wat meer op afstand, maar tegelijkertijd doet de vakcentrale onbekommerd een beroep op diezelfde politiek om de gemaakte afspraken tussen werkgevers- en werknemersorganisaties algemeen verbindend te verklaren, zeg maar aan anderen dwingend op te leggen. En dat alles onder het motto dat de veelgeprezen overlegeconomie nieuwe tanden moet krijgen.
Maar hoe tegenstrijdig ook, er zit wel wat in. Een aantal jaren geleden alweer roerde politiek Den Haag krachtig de trom met als inzet: het primaat terug aan de politiek. Politici als Bolkestein, maar ook Lubbers en Wöltgens hadden er schoon genoeg van telkens weer door de sociale partners voor het blok gezet te worden, dan wel in hun dadendrang te worden afgeremd. Op enig moment noemde premier Lubbers het kroonjuweel van de overlegeconomie, de Ser, zelfs een “baal hooi”.
Die politieke dadendrang was toen zeker niet overbodig. Er waren forse ingrepen nodig, waartoe de sociale partners niet of onvoldoende in staat waren. Denk aan de WAO. Bovendien zagen de partners geen kans allochtonen aan een fatsoenlijke baan te helpen. De politiek moest dus wel. Maar om nu te zeggen dat de overheid inmiddels wel kans heeft gezien deze problemen overtuigend te regelen? Ook zij slaagde er niet in met wettelijke maatregelen de werkgelegenheid voor allochtonen krachtig te bevorderen en een regeling voor flexibele werktijden (wat weer wel typisch iets is voor de overheid) werd aan het bedrijfsleven overgelaten.
Daarmee zijn we weer terug bij de overlegeconomie. Kern daarvan is dat drie partijen in redelijkheid zaken moeten kunnen doen. In die driehoeksverhouding was de balans doorgeschoten naar de overheid. Wat meer ruimte voor de sociale partners is daarom zo gek nog niet. Tenminste zolang het CNV maar bereid is ook de nodige ruimte te gunnen aan de overheid.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.