AMSTERDAM - Halverwege het gesprek verzucht Goran Paskaljevi: “Nu zit ik al weer de hele tijd over politiek te praten. Dat gebeurt overal waar ik 'Tango Argentino' presenteer. Over de film zelf heb ik het nooit. En dat terwijl 'Tango Argentino' helemaal geen politieke film is, maar een warm en intiem portret van gewone mensen. Op z'n hoogst is het - en dan nog tussen de beelden door - een noodkreet tegen alle ellende die ons Joegoslaven omringt.”
Ondanks deze verzuchting blijft het onmogelijk 'Tango Argentino' onbevangen te bekijken. Paskaljevi maakte hem in 1991. Het Joegoslavische socialistische systeem was toen al tot ontbinding overgegaan. De burgeroorlog hing in de lucht en zou spoedig na het voltooien van de opnamen uitbreken. Ongewild werd 'Tango Argentino' hierdoor de laatste speelfilm uit het voormalige Joegoslavië en markeert deze film hierdoor het einde van een ook in filmisch opzicht gelukkig tijdperk. Was Paskaljevië (1947) immers niet een voorman van de Praagse School, die groep jonge, in het communistische Joegoslavië geboren en getogen regisseurs, van wie Emir Kusturica het bekendst werd? Allemaal bezochten ze de filmschool in Praag en allemaal maakten ze vanaf 1980 furore met films waarin de Joegoslavische maatschappij kritisch bekeken werd. De burgeroorlog vernietigde die vitale filmstroming en veranderde het leven van haar regisseurs grondig. Zo grondig, dat ook Paskaljevië bijna over niets anders meer kan praten dan over die vermaledijde politiek.
Paskaljevië: “Na 'Tango Argentino' ben ik naar Griekenland gegaan. Daar heb ik een jaar aan een nieuwe film, 'Someone else's America', gewerkt. Daarna moest ik voor mijn volgende film naar Parijs, omdat mijn producent daar woont. De opnamen voor die laatste film vonden plaats in New York, Texas, Mexico, Griekenland en in een studio in Hamburg. Ik heb een jaar op al die plekken gewoond. Nu heb ik een huis in Parijs, en... ook nog een nieuwe vriendin in Brussel.”
Bij die laatste opmerking grijnst Paskaljevië sardonisch. Zo raar kan het in het leven lopen, lijkt hij daarmee te willen zeggen. Het ene jaar ben je Joegoslaaf, het volgende Europeaan. Komt hij nog wel eens in zijn oorspronkelijke woonplaats Belgrado?
“Zeker. Mijn kinderen wonen daar. Ik heb er nog een appartement en ga er vaak naar toe. Ik denk dat ik in de toekomst heen en weer zal pendelen tussen Parijs en Belgrado. Het liefst zou ik natuurlijk permanent in Belgrado zijn. Daar liggen mijn roots, ligt mijn hart, en daar wil ik films maken. Dat is op het moment onmogelijk. Er is geen (film)infrastructuur meer. Het is nu makkelijker om van Amsterdam naar Belgrado te bellen dan van de ene wijk in die stad naar de andere. Je kunt er niets meer van de grond krijgen.”
Oorlogsprofiteurs “Ook is er geen schoon geld meer. De overheid besteedt al het geld aan de oorlog en geeft geen subsidie meer. De bedrijven zijn te armlastig voor sponsoring. Als je nu in Servië een film wilt maken, zou je in zee moeten gaan met oorlogsprofiteurs en criminelen. Die trekken aan alle touwtjes. Het handelsembargo was alleen maar goed voor dit geboefte en Milosovië en zijn trawanten. Het leven van de gewone mensen is er echter door vernietigd. Die staan dag in dag uit in de rij en hebben geen puf meer voor het voeren van oppositie of het bekijken van films. Begrijpelijk: de naakte strijd om het bestaan slorpt al hun energie op.”
“Toch voel ik me niet totaal ontheemd. Naast Joegoslaaf heb ik me altijd al Europeaan gevoeld. Net zoals mijn filmende vrienden oriënteer ik me ook op de Europese cultuur. Daarnaast waren vele speelfilms in het voormalige Joegoslavië Europese co-produkties. Dat was - en is voor kleine landen - immers al jarenlang de enige manier om aan voldoende geld te komen en verzekerd te zijn van distributie in meerdere landen.”
Paskaljevië geeft zijn lot een positieve draai. Tegen beter weten in lijkt het wel. Op de vraag hoe het de andere kopstukken van de Praagse school verging, somt hij de gevraagde informatie eerst braaf op. Meteen daarna echter uit hij toch zijn bedroefdheid dat hij niet meer in zijn geliefde Belgrado kan filmen. Paskaljevic: “Karanovië en Grlië werken in Amerika. Markovië heeft net een Franse produktie voltooid. Ik ben net klaar met een Frans-Engelse-Duitse produktie. Kusturica leeft en werkt in Frankrijk. We werken nu allemaal buiten Joegoslavië. We zijn over de aarde verstrooid. Maar als ik in Belgrado ben probeer ik toch altijd een project van de grond te krijgen. Zo heb ik met een vriend zes maanden gewerkt aan een 16-mm-film, 'Ship of fools'. Die titel verwijst - je raadt het - naar mijn land. We waren klaar voor de opnamen, maar het lukte ons stomweg niet de tweehonderdduizend gulden die we nodig hadden, bij elkaar te krijgen. Tweehonderdduizend gulden! Die film gaat voorlopig dus niet door. Ik blijf het proberen. Een film, hoe klein ook, gemaakt in Belgrado: dat is nog steeds mijn ideaal. Natuurlijk, ik kan best een film maken over een love-story in Parijs of Londen. Daar ben ik vakman genoeg voor. Mijn hart gaat echter uit naar een film over Belgrado nú, over wat de oorlog voor gewone mensen betekent, over de sfeer waarin zij nú leven, over de emoties die zij nú doormaken. Daar, in Belgrado ligt mijn ziel nu eenmaal.”
Het leven van gewone mensen. Dat staat centraal in de negen films die Paskaljeviú sinds 1976 in Joegoslavië maakte. Hij is een groot bewonderaar van het Italiaanse neo-realisme en vooral van Vittorio De Sica.
Paskaljevië: “Bij het maken van 'Tango Argentino' heb ik me laten inspireren door De Sica's 'Umberto D'. Ook die film gaat over een bejaarde die door de maatschappij uitgestoten wordt. Ook Umberto D vindt alleen nog wat warmte bij zijn hond en wat sympathie bij een kind dat nog niet door het leven gecorrumpeerd is.”
“Ouderen en adolescenten keren in mijn films steeds terug. Met hen kan ik het goede en het kwade, en de emotionele hoogte- en dieptepunten van het leven het best verbeelden. Met de ouderen omdat ze alles gehad hebben en daardoor veel levenswijsheid bezitten, met de jongeren omdat ze nog onbevangen zijn en daardoor nog een zekere zuiverheid bezitten. Tussen de bejaarden en kinderen zitten de volwassenen. Die heb ik in 'Tango Argentino' misschien wat karikaturaal neergezet. Ze denken alleen aan geld en hun eigen belangen en willen daardoor af van hun ouders. Daarmee heb ik willen aangeven dat ook het Joegoslavische communisme zijn zwarte zijden had.”
Het is echt onvermijdelijk. Zelfs sprekend over 'Tango Argentino' komt Paskaljevië al snel weer uit op de politiek. Die zit deze sociaal bewogen filmer nu eenmaal in het bloed, die achtervolgt hem sinds het uitbreken van de burgeroorlog. Dat laatste ook al doordat 'Tango Argentino' getroffen werd door de boycot op Servische cultuurgoederen die de Verenigde Staten afkondigden. De Nederlandse distributeur (NFM/IAF) hield zich daar braaf aan en liet 'Tango Argentino' jaren op de plank liggen. Pas nu de boycot is opgeheven, wordt de laatste speelfilm uit het voormalige Joegoslavië in Nederland uitgebracht.
Paskaljevië: “Cultuur boycotten is het stomste wat je kunt doen. Je kunt een politiek systeem of een economie nog wel boycotten om de gedachten van de machthebbers te veranderen. Maar de geest, de creativiteit kun je niet het zwijgen opleggen. In iedere maatschappij is de cultuur, mits waarachtig, een positieve kracht, die zich niet laat temmen. Zo'n boycot doet ons bovendien pijn. Bedoeld of onbedoeld word je erdoor geassocieerd met de machthebbers, wordt je werk erdoor gereduceerd tot een politiek fenomeen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.