*

 
dossier

Archief

'Het kàn niet dat iemand die haar werk perfect deed, zich zo liet gaan'

JOOP BOUMA − 09/09/95, 00:00

AMSTERDAM - Eén keer liet ze zich gaan. Ze vertelt er, pakweg tien jaar na dato, nog met gêne over. “Zuster, hoe laat is het?”, vroeg de demente vrouw haar. Niet één keer, niet vijf keer - onophoudelijk, telkens die ene vraag, het galmde door haar hoofd: “Zuster . . ., zuster . . ., zuster . . .?”

“Je neemt je voor nooit tegen iemand uit te vallen. Maar die keer gebeurde het wel. Ik greep haar vast, hardhandig, schudde haar heen en weer en schreeuwde: ik heb u nu wel tien keer gezegd hoe laat het is, hou daar mee op. Ik schaamde me daarna zo. De vrouw vroeg natuurlijk helemaal niet hoe laat het was. Mijn reactie was volkomen fout.”

“Van dat moment af heb ik me voorgenomen dat ik altijd zou proberen de individualiteit van mensen naar boven te halen. Niet meer dat aanjurken, dat poepen en piesen, niet meer ik moet er nog zes 'doen', niet meer de ruk- en plukmethode, maar proberen oogcontact te krijgen, het individu te bereiken.”

Len Wijlage werkte 20 jaar in de ouderenzorg. Als verpleegkundige verzorgde ze oude, zieke mensen, vaak met alzheimer, “mensen die met zichzelf verdwaald zijn.” Sinds enkele jaren geeft ze aan het College voor beroepsonderwijs in Amsterdam aan gezins- en bejaardenverzorgenden les in gezondheidsleer en verpleegkunde.

Aanleiding tot het gesprek is de niet-natuurlijke dood van zeven demente bewoners van het geriatrische verpleeghuis Vliethoven in Delfzijl. Een 42-jarige bejaardenverzorgster zou tegenover de politie hebben toegegeven dat zij 'uit bewogenheid en menslievendheid' de bejaarden inspoot met insuline, een stof die dodelijk is voor mensen die níet aan suikerziekte lijden.

Het treft Len Wijlage dat in de publiciteit de verdachte nu al een beetje op een gifmengster is gaan lijken, een heks die stiekem oudjes om zeep hielp. “Als het een man was geweest, zou er denk ik direct veel rationeler zijn gereageerd, zo van: hoe dement waren de slachtoffers, wat was de voorgeschiedenis?”

Ze zou wel met de bejaardenverzorgster uit Delfzijl willen praten. “De machteloosheid moet bij haar hebben toegeslagen.” Len Wijlage vraagt zich af hoe het mogelijk is dat de directeur van Vliethoven in zijn reacties niet veel verder komt dan: “Het is een drama, we begrijpen niet hoe dit kon gebeuren, de medewerkster stond bekend als zeer bekwaam.”

“Dat je met één hand wijst naar de verdachte, kan ik begrijpen”, zegt ze, “maar de andere hand zou je direct ook in eigen boezem moeten steken, toch? Heeft Vliethoven het zelf zo goed gedaan? Was er voor verpleegkundigen en verzorgenden de mogelijkheid de verantwoordelijkheid met anderen te delen? Waren er afspraken over hoe om te gaan met patiënten met een doodswens?”

Het kàn niet dat iemand, die volgens de directeur perfect haar werk deed, zich zo liet gaan. “Waarom was ze alleen? Hoe kon ze zo met zichzelf op de loop gaan? Wat deed het huis eigenlijk? Waren er wekelijks stafbesprekingen?” De vragen zijn legio.

Vervolg op pagina 3

'Zorgplan met plaats voor het individu zou moeten' VERVOLG VAN PAGINA 1

Maar goedpraten? Nee, vóór alles geldt dat op wilsonbekwamen geen euthanasie wordt gepleegd. Dat is onaanvaardbaar. “Mensen die dement zijn kunnen hun wil niet kenbaar maken. En dat is dè voorwaarde voor euthanasie.” In Nederland lijden zo'n 100 000 ouderen - vier à vijf procent van de 65-plussers - aan dementie waardoor ze voor de zorg op anderen zijn aangewezen.

Len Wijlage bepleit de planmatige zorg. Verpleeghuizen zouden een zorgmodel moeten opstellen, waarin plaats is voor het individu. Ze is bezig dit in te voeren in een bejaardenhuis in Zaandam. “Kijk, als drie verzorgden dagelijks voor 40 mensen moeten zorgen, dan is de werkdruk hoog, dat kan ik je verzekeren. Dan loopt het zweet je langs je bilnaad. De hele dag mensen wassen, eten geven, verschonen. Van die 40 kunnen er 20 bij de bel en die bellen je dus constant. De andere 20 roepen: zuster, zuster! Dan ga je mensen 'doen'. Je ziet dan niet meer dat je met individuen bezig bent. Je stelt jezelf voortdurend de vraag, hoe ver ben ik, ik moet er nog zes. En als je er nog zes 'moet', ga je niet meer proberen dat individu te bereiken. Het is de ruk- en plukmethode. Voor jezelf heb je aan het einde van zo'n dag het gevoel dat je keihard hebt gewerkt.”

“Maar je kunt ook afspreken: wat willen we bereiken en hoe. Laten we proberen deze week mevrouw A. met een half uurtje muziek te bereiken. Er moet een team zijn waarin je over je verantwoordelijkheden kunt praten.”

Als die voorwaarden er niet zijn, kunnen er ongelukken gebeuren, zegt Wijlage. “Dan ontglipt iemand je. Ik denk dat die bejaardenverzorgster in Delfzijl het heel moeilijk heeft gehad. Iedereen zal nu met de vinger naar haar wijzen en dat gun ik haar niet.”

Ze is er van overtuigd dat in veel verpleeghuizen nog zonder zorgplan wordt gewerkt. “Er was een periode dat iemand na zo'n gevulde-koeken-cursus van twee jaar directeur kon worden van een verpleeghuis, sommigen van hen zitten er nog. Dat wreekt zich een keer. Ik hoor nog steeds van stagiaires dat ze perplex staan hoe er in sommige huizen met ouderen wordt omgesprongen.”

Len Wijlage belandde in de bejaardenzorg toen de milde dood in praktijk werd gebracht, maar nog in de schemer van ziekenkamertjes, zonder protocollen, waarborgen, voorwaarden, afspraken. “Dan was er een hoofdzuster die zei: het gaat niet goed met deze mevrouw. We zullen haar maar eens inleiden. Inleiden, ja. Dan kwam de arts en die zei tegen de zuster: 'U weet wat het beste is voor de mensen' en schreef morfine voor. En de familie werd geroepen als moeder al in diepe slaap was.”

Wijlage zegt toen betrokken te zijn geweest bij acht gevallen van euthanasie. Ze kan zich hen nog voor de geest halen, zachtjes somt ze de namen op. “Ik heb aan deze slordige, niet te verantwoorden handelwijze meegewerkt. Achteraf zeg ik: er waren enkelen bij die nooit zo hadden mogen sterven.”

Toen ze hoofd verzorging en verpleging in een bejaardencentrum werd, besloot ze geen genoegen te nemen met deze praktijken. “Het was een wildgroei in ongewenste en gewenste dood. Ik vond dat bar. Ik lag daar wakker van. Het moet niet zo zijn dat verpleegkundigen mensen naar het rijk van de geesten gaan helpen.”

Ze stelde na lange gesprekken een euthanasie-verklaring op, die nog van kracht is en verpleeghuisbewoners rechtszekerheid biedt. “Ik heb iedereen bij elkaar geroepen, ook de mensen uit de keuken en van de interne dienst. Ik heb gevraagd hoe ze aankeken tegen euthanasie en of ze wel eens vragen kregen van bewoners. Toen heb ik gevraagd of ze er vertrouwen in zouden hebben als die vragen toch eerst bij de arts en de patiënt zouden thuishoren. Zo werd het onderwerp bespreekbaar en konden misverstanden worden weggenomen. Nadien werden deze zaken besproken in een team van twee artsen, het hoofd verzorging en verpleging, de geestelijk raadsvrouw en een verpleegkundige. We hebben ons ook geconformeerd aan de criteria van het KNMG.”

Als voor iemand het leven erger is dan de dood, moet je luisteren, vindt Len Wijlage. “Je moet met hen meegaan, ook in hun uiterste wensen. Daar praat je samen over. Dan kan er een moment komen dat je voor jezelf vaststelt, als ik nu mijn medewerking nalaat ben ik een grotere schoft dan als ik wel meewerk.”

mailIcon print |