De pauze ligt in het wezen van de poëzie besloten. Kijk maar naar een willekeurig gedicht: de rafelige regels zijn ondergedompeld in de stilte van het wit van de bladzijde. Of het nu om een experimenteel vers of een sonnet gaat - het staat, naast de kleine ruimten die de woorden afzonderlijk leesbaar maken, vol komma's, punten, puntkomma's en witregels.
Al die korte en lange onderbrekingen laten je de woorden wegen op een goudschaaltje, geven een moment de tijd de betekenis van het voorafgaande te laten weerklinken. Er is zelfs iets voor te zeggen, dat het werkelijke gedicht niet in de woorden, maar juist in die pauze's in je hoofd ontstaat. Al peinzend lees je in het wit tussen de statige inktzwarte letters je eigen onzichtbare tegengedicht.
De dichter is zich van het mechanisme van de pauze natuurlijk zeer bewust. Niet zelden verheft hij dat moment van mijmering tot inzet van zijn kunst. “Hij kiest uit een taal vol tekens / de tekens die stilte verbreiden: / zijn woord, uit de stilte genomen, / keert tot de stilte terug,” schreef de oude dichter Adriaan Morriën in 'Ars poëtica'. Na het lezen van deze strofe vraag je je even af: waarom dan gedicht en niet gezwegen? Maar al snel weet je dat de stilte zonder omringende woorden geen poëzie voortbrengt. Zoals de pauze in het theater altijd is ingeklemd tussen twee bedrijven, zo heeft de stilte de taal van de dichter nodig om gehoord te worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.