*

 
dossier

Archief

DEMOGRAFIE

REMCO POLS − 13/09/95, 00:00

Een temperatuur van 16,5 graden Celsius is voor de Nederlander ideaal. Ligt de temperatuur daar gedurende enige tijd boven, dan gebeurt het onvermijdelijke: het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) zal na verloop van tijd meldden dat er meer mensen dan gebruikelijk zijn overleden.

In 1994 kwam de temperatuur herhaaldelijk ver boven de 16,5 graden Celsius uit. Dagen van boven de 20 graden Celsius waren eerder regel dan uitzondering. Het gevolg: er gingen meer mensen dood; zo'n drieduizend, dat is tien procent meer dan gebruikelijk. “Dit jaar was de zomer nog iets warmer, het mag duidelijk zijn wat we mogen verwachten”, zegt de Rotterdamse demograaf Anton Kunst.

Kunst werkt op het Instituut maatschappelijke gezondheidszorg van de Erasmus universiteit in Rotterdam. Hij deed zijn onderzoek naar temperatuur en sterfte al weer een aantal jaren geleden; in 1991 stapte hij over naar een ander onderwerp. Na de warme zomers van dit en vorig jaar en de grote belangstelling van de media voor het onderwerp besloot hij er toch weer naar te gaan kijken. De afgelopen weken analyseerde hij de cijfers van 1994. Die van 1995 zijn nog niet beschikbaar; het CBS publiceert die pas volgend voorjaar.

“Het getal van 16,5 roept gemakkelijk verwarring op”, waarschuwt Kunst. Het is een gemiddelde over dagen èn nachten. Een gemiddelde over één dag en één nacht van 16,5 graden komt in ons klimaat vaak overeen met een temperatuur om twaalf uur 's middags van 20,5 graden. Die temperatuur werd de afgelopen maanden ruimschoots overschreden.

Excessieve sterfte

Niet alleen een te hoge temperatuur resulteert in meer sterfte, ook een afwijking naar beneden heeft effect. Een graadje te warm heeft meer gevolgen dan een graadje te koud, maar in de winter liggen de temperaturen natuurlijk een stuk beneden het dag-en-nacht gemiddelde van 16,5 en dat telt lekker op. Het effect weerspiegelt zich in de variatie met de seizoenen. “De sterfte vertoont normaal gesproken een mooie golfbeweging met een top in januari en een dal in augustus. Extreme afwijkingen in de temperatuur zie je terug als afwijkingen van die beweging: een hete zomer geeft een minder diep dal in augustus.”

Zoals in 1994. Kunst analyseerde de cijfers van dit warme jaar door ze met die van een meer representatief jaar te vergelijken. Hij koos voor 1992. “In 1993 waren er twee griepepidemieën en dat zou het beeld verstoren.”

De excessieve sterfte deed zich vorig jaar voor in de maanden juli en augustus. De demograaf keek ook of dit gevolgen had voor de sterfte in de maanden daarna. “Er wordt vaak verondersteld dat de extra sterfte mensen betreft die toch al op het punt stonden dood te gaan, mensen die hoogstens nog enkele maanden zouden hebben geleefd.”

Voor 1994 gaat die veronderstelling niet op, constateert hij. Het aantal mensen dat in 1994 in het najaar overleed, week niet erg af. Volgens Kunst stemt dat goed overeen met de waarneming van artsen dat er bij extreme temperaturen nogal wat mensen dood gaan die dan wel niet gezond waren maar van wie je toch had verwacht dat ze nog wel één of enkele jaren zouden blijven leven.

Kunst liet het hierbij; hij deed geen poging om uit te zoeken waaráán de extra doden overleden. Het antwoord op die vraag is hem uit zijn vroegere onderzoek wel zo ongeveer bekend. Als het te koud wordt, overlijden er meer mensen aan infecties, vooral luchtweginfecties. Als het te warm wordt, gaan er meer mensen aan hart- en vaatziekten dood.

Dit verschil in doodsoorzaak vormt waarschijnlijk de verklaring voor een opmerkelijk effect. Als het te warmn wordt, stijgt de sterfte direct; wordt het te koud dan duurt dat even - er is dan sprake van een zekere vertraging. “Dat komt doordat infecties even de tijd nodig hebben om tot uiting te komen. Het effect van een te hoge temperatuur merk je direct. Door transpiratie droogt het lichaam uit. Daardoor verandert de samenstelling van je bloed, het wordt dikker. Dat geeft een grotere kans op een hartinfarct bij voorbeeld.”

Dat kan bij mensen die zich op het randje bevinden, net de doorslag geven, beaamt Kunst. “De temperatuur doet sluipend haar werk. In Nederland zijn er bij voorbeeld weinig of geen mensen die direct door een zonnesteek of oververhitting overlijden. Maar vrijwel ongemerkt eist de warmte haar slachtoffers, vooral onder ouder en chronisch zieken.”

Waarom is hij in 1991 eigenlijk met het onderzoek gestopt?

Omdat, zegt hij, het moelijk bleek om er nog subsidie voor te krijgen. Dit soort van onderzoek mag zich verheugen in een grote publieke belangstelling, maar de overheid bij voorbeeld kan er weinig mee. “In 1991 is gekeken of het zinvol was om mensen middels informatiecampagnes voor extremen in de temperatuur te waarschuwen. Dat werd zinloos bevonden. Want waar kom je op uit? Dat oudere mensen er bij extreme koude goed aan doen om een muts op te zetten. Nog afgezien van de voorspelbare uitwerking van zo'n aanbeveling: mensen vinden het betuttelend en het grijpt in op een zo ingesleten gewoonte dat ze toch niet luisteren.”

Het verband tussen temperatuur en sterfte, kortom, is voorspelbaar en zal dat ook wel blijven.

mailIcon print |