*

 
dossier

Archief

In de zon de dazen, in de schaduw de muggen

Door: redactie − 28/08/99, 00:00

De polder Botshol bij Abcoude is mij dierbaar. Ik kom er al bijna een halve eeuw. Ik heb de plassen zien veranderen van een glasheldere waterplantentuin vol lichtgroene onderwaterbladeren van plompen en velden van schedefonteinkruid, groot nimfkruid en verschillende soorten kranswieren in een smerige vaalgroene blauwwierensoep. Ondanks maatregelen ter verbetering is de situatie nog ver van ideaal. Botshol staat model voor veel Nederlandse natuur die met kunst- en vliegwerk in stand wordt gehouden.

De polder diende als boezem voor de nabijgelegen Groot-Duivendrechtse Polder en kreeg met het ingelaten water alle meststoffen mee die uit de overbemeste weilanden spoelden. Luwe delen van de plassen waren bedekt met geelgroene flap en opgeblazen darmwier, dat stonk in de zomerzon.

Een defosfateerinrichting leek een oplossing, maar een jaar later was de vervuiling erger dan tevoren door 'nalevering' van fosfaten uit de vervuilde onderwaterbodem.

Langzaamaan lijkt het water zich te herstellen, wat te zien is aan de terugkeer van planten, die alleen in helder water gedijen. De plassen lijken nu ondiep door de dichte vegetatie van kranswieren en uitgestrekte velden van het zeldzame nimfkruid. Op een enkele plek in de Kleine Wije groeit weer schedefonteinkruid, vroeger zo gewoon dat we er nauwelijks aandacht voor hadden. Alleen het aarvederkruid hebben we niet teruggevonden.

Verfgroen microwier

In de smalle sloten in de moerasbossen, riet- en graslanden is het water glashelder. Die sloten liggen ver van de waterinlaat aan de Waver. Ook in de Grote en de Kleine Wije kun je de bodem en de waterplanten zien, maar daar zweven toch veel groene bolletjes van het blauwwier Microcystis flos-aquae, wat op verontreiniging door met name nitraten en fosfaten wijst. Het is hetzelfde microwier dat de Amsterdamse grachten en de vijvers in het Haagse Bos verfgroen kleurt.

Uitgestrekte stukken water gaan schuil onder blad en bloemen van waterlelie en plomp. Die varen wel bij voedselrijkdom. Gelukkig blijkt het kieskeurige blaasjeskruid niet alleen in de heldere sloten, maar ook in de rietzones van de plassen te overleven. Zo goed zelfs dat deze carnivore waterplant er knalgele leeuwenbekachtige bloemen voortbrengt, die deinend op de door riet en lisdodden getemperde golfslag door de onder water uitgespreide stengels in wankel evenwicht boven water worden gehouden.

Bloemen aan de sloot

De meeste bloemen vind je aan de sloten, vroegere watergangen tussen verveende stukken land. Hier en daar zijn wijdere, rechthoekige petgaten, waar veen gebaggerd werd en op het land tot turven gedroogd. Daar drijft op zonnige plekken de kikkerbeet met witte drietallige bloemen boven cirkelrond mini-waterlelieblad. Daar bloeien in de rietkragen koninginnekruid, moerasandoorn, haagwinde, bitterzoet, watereppe, engelwortel en melkeppe. Aan de rand van de moerasbossen zit het stekelige braamstruweel vol glanzend zwarte bramen en geuren de kransen bleke trompetbloemen van de kamperfoelie.

Een fitis op de trek laat even zijn melancholieke melodietje horen in de elzen en lijsterbessen. In het riet zingt een kleine karekiet. Kneutjes vliegen knutterend over. Verder is het stil.

Insecten

Schaars gekleed vanwege de warmte tussen de hoge rietkragen wordt de roeier geluidloos omzwermd door regendazen. Soms steken wel vijf van die grauwe vliegen tegelijk. Eenmaal gezeten op je blote benen laten ze zich gemakkelijk doodslaan. Angstaanjagend groot lijkt de kleine runderdaas, die in zijn eentje passerende roeiboten verkent, maar die het gewoonlijk laat bij niet aflatende nieuwsgierige rondjes. Van schaduw moeten de dazen niets hebben, maar daar wordt de arme roeier geplaagd door de muggen.

Insecten - het krioelt ervan. Vier, vijf dagpauwogen fladderen om de roze tuilen van het koninginnekruid. Een pas ontpopte kleine vos en een paar atalanta's zijn er ook bij. Een atalanta is zo afgevlogen dat het wel een migrant uit Zuid-Europa zal zijn.

Op de witte bloemschermen van engelwortel en melkeppe zitten tientallen rode soldaatjes, weekschildkevers die er niet alleen komen voor de ondiep liggende nectar, maar ook om er te paren en zelfs om andere weekschildkevers te vangen en op te eten.

Glazenmakers

Libellen zweven over het water. De grote bruine glazenmaker is op deze nazomerdag de algemeenste soort. Voortdurend in de lucht, soms een tijdje op een punt in de lucht hangend als een zweefvlieg. Weinig minder talrijk zijn de gewone oeverlibellen. De mannetjes met blauw berijpt achterlijf landen soms op een roeiriem. De vrouwtjes, geel met twee donkere lengtestrepen, jagen boven gemaaide weilanden op vliegen. Een blauw, groen en zwart geblokte paardenbijter gebruikt een rietstengel midden in de sloot als uitkijkpost.

Lange spinseldraden en een paar bijna horizontaal geweven wielwebben overspannen een smalle sloot door het rietland. De makers zijn strekspinnen, die overdag met recht naar achteren en naar voren gestrekte poten rusten op rietbladeren. Soms klautert zo'n spichtige spin rond in de boot.

Een wolfspin met opvallend wit gerand kopborststuk zoekt over het water rennend een veilig heenkomen op de oever. Het dier drijft niet, maar maakt net als de schaatsenrijders gebruik van de oppervlaktespanning. Pirata piscatorius, de vissende piraat, vangt insecten van of net onder de waterspiegel.

Bij een dalende zon

Groene kikkers kwaken in een doodlopende sloot met eendenkroos, hoornblad en waterpest. Naarmate de middag verstrijkt, voegen zich steeds meer zangers bij het koor.

De dalende zon blikkert op het water. Een buizerd pieuwt in de verte. Slijpend roept een koolmees in het moerasbos. Een verontruste winterkoning begint te ratelen. Het vroeg-herfstig oranje blad van de krentenboompjes gloeit op, als we het haventje binnenvaren. Eind van een augustusdag op het water.

mailIcon print |