*

 
dossier

Archief

Met verf en vuur te keer gaan tegen de herinneringen aan de folteringen

EILDERT MULDER − 06/02/97, 00:00

en houthakker ziet een leeuw. Hij wil hard weglopen. Maar de leeuw roept dat hij zijn vriend wil worden. Jaren gaat het goed, totdat de houthakker de leeuw hard uitlacht. “Je stinkt uit je bek”, legt hij uit. De leeuw gromt, waarna de man het dier een klap op zijn kop geeft met een houtblok. Jaren later treft hij de leeuw weer. Het litteken is weg en de houthakker denkt dat het incident is gesloten. Maar de leeuw zegt: “Die klap ben ik vergeten, maar die stinkende bek niet”.

De Koerdische schilder Sabah Rash geeft met het verhaal aan waarom hij de gevangenschap in Iran erger vond dan die in Irak. Irak folterde hem anderhalve maand fysiek. De Iraanse 'beulen' gaven hem twee maanden lang 20 uur per dag islam-onderricht. Die geestelijke foltering kwelt hem nog dagelijks, terwijl hij aan de uitgetrokken nagels niet meer denkt.

In zijn atelier in Schiedam verjaagt Rash zijn boze herinneringen. Als een Middeleeuwse alchemist gaat hij tekeer met verf en vuur. Geen jenever, maar schilderijen stookt hij. Of de vrijkomende dampen goed zijn voor zijn gestel betwijfelt hij. Maar het is de enige manier om zijn 'zelf' te vinden.

“In het Midden-Oosten kun je onmogelijk jezelf zijn”, oordeelt hij. “Je bent altijd lid van een groep: familie, clan, stam, volk of wat dan ook. Je gedraagt je zoals mensen dat van je eisen. In Nederland staat de eigen identiteit voorop. Dat was mijn grote ontdekking hier. Ik zoek mijn eigen zelf, dat ik nooit heb gekend. Ik heb een achterstand. Ik ben 35, maar in sommige opzichten ben ik misschien een achtjarige”.

Vanavond om half vijf is de opening van zijn expositie in de Grote of St-Laurenskerk in Rotterdam: 'een lange zoektocht', georganiseerd door Stadsforum de Laurens en de Ichthus Hogeschool Rotterdam, die 'betrokken wil zijn bij de multi-culturele Rotterdamse samenleving.' Zijn doeken weerspiegelen zijn gevecht van de afgelopen vijf jaar in Nederland. Je kunt ze zien als de geschiedenis van een integratie. Hij is benieuwd naar kritieken van deskundigen. Zijn eerste werk in Nederland geeft, met heldere kleuren, zijn vreugde weer over de ontsnapping uit Irak. Het verschilt radicaal van met wat hij nu maakt.

De felle kleuren weken voor donkerder tinten. Niet dat hij hier ontevreden is. Naast zijn Koerdische contacten heeft hij ook een Nederlandse vriendenkring opgebouwd. Met zijn nieuwe kennissen spreekt hij vloeiend Engels. Veel drang om ook goed Nederlands te leren, voelt hij niet: “Taal is voor mij zuiver een communicatiemiddel”.

In zijn uitstraling is hij een wereldburger, maar de Koerdische achtergrond verloochent zich toch niet, ook niet in zijn abstracte kunst. Hij komt tot uiting in zijn nieuwste technieken, waarin vuur een grote rol speelt. Rash: “Vuur vinden Koerden belangrijk. Volgens de legende is het vuur in het Zagrosgebergte uitgevonden. De moderne mens zou er niet zijn zonder vuur. Vuur reinigt, vuur is muziek. Laatst zag ik op het strand bij Kijkduin, bij acht graden vorst, een vuur. Ik moest erheen. Dat geknapper, samen met het geruis van de golven, was onweerstaanbaar.” Zijn doeken, waarvan het basismateriaal bestaat uit kranten, jaagt hij door een vlammenzee. Ze lijken op keramiek. Sabahs vagevuur verandert de kranten op canvas in een prehistorische wereld, de aarde voor de schepping, het materiaal waaruit alles is voortgekomen. Dat is niet zijn eigen uitleg. Mensen mogen best een dinosaurus zien of een vleermuis. Zelf heeft hij het er niet ingelegd: “Ik stel niet het oog tevreden. Ik probeer een contact op het niveau van de ziel te leggen”.

Trots is hij op een kleur groen, geen mengsel van blauw en geel, maar zuiver de werking van het vuur. Eén kritiek heeft hij al, van zijn broer. Ook die volgde in Irak een kunstopleiding. “De kameel pist naar achteren”, vonniste hij Sabahs werk, rauw zijn verval aangevend. Sabah: “Vroeger zou ik het met hem eens zijn geweest. Ik vond dat alleen mensen die niet konden schilderen abstract gingen werken”. Andere Koerden vinden dat hij de nood van de Koerden in beeld moet brengen. Sabah: “Natuurlijk ben ik Koerd. Maar ik kies voor de zoektocht naar mijzelf.”

In een eerste gesprek lijkt hij Irak van zich te hebben afgezet. Zijn ode op het westerse individualisme onderbreekt hij slechts nu en dan met een Iraakse anecdote. Zoals het Saddamportret in het ouderlijke huis, in het stadje Khanakin, vlak bij Iran. Zijn moeder had het prul verplicht gekocht van soldaten. Eerst wilden ze ook haar trouwring afpakken, ter bekostiging van de oorlog met Iran. De tiran eindigde op het toilet. Daar hing hij ook toen een neef op bezoek was, een aanhanger van Saddam. De stoelgang verliep moeizaam, klaagde hij, “want die man keek zo streng”.

Pas in een tweede gesprek blijkt hoezeer de Iraakse ervaringen Rash nog kwellen. Ze leveren ook een meer Koerdische interpretatie van zijn Schiedamse werk op. De doeken, met hun ruwe reliëf, lijken op de rotsen, die hem jaren tegen Saddams bombardementen beschermden, in zijn grot in de Koerdische bergen, waar hij met penseel en stencilmachine de strijd van de Pesjmerga's steunde. 's Ochtends is hij badend in het zweet wakker geworden. In een droom had een Iraakse geheime agent zijn Nederlandse paspoort versnipperd. “Ik moet niet meer schrijven”, moppert Rash. De avond te voren heeft hij herinneringen aan Irak opgeschreven. Het greep hem enorm aan. Het eerste drama was de dood van zijn vader. Rash was vier. Zijn moeder vertelde hem dat hij op reis was. Later vernam hij de waarheid, die hij, in de logica van een kleuter, weer verborg voor zijn moeder.

In 1980 kwam zijn wensdroom uit, toen hij naar de academie in Bagdad mocht. Een jaar later ontwaakte hij ruw, door de oorlog met Iran. Voor een verplichte tentoonstelling leverde hij een poster, die Iran maande de wapens neer te leggen. Maar de politie zag een dubbele bodem, het leek ook een oproep aan Saddam om de oorlog tegen de Koerden te staken. Na 45 dagen foltering op het bureau verwijderde de academie hem, vanwege ongeoorloofde absentie.

In Khanakin heerste de dood. Rash: “Mensen stierven aan het front, door Iraanse bombardementen of in Iraakse cellen. Ik moest soms twee keer per dag op condoleancebezoek”. Rash, een sji' iet, vond steun in de islam. Dat veranderde, toen hij op zijn vele vragen geen antwoord kreeg. Zo wilde hij weten hoe het met vrouwen staat in het paradijs. De Koran belooft aan mannen de mooiste meisjes, maar aan vrouwen niets. Volgens een geestelijke zouden vrouwen hun echtgenoot terugkrijgen, waarop Rash wilde weten hoe het zat met ongetrouwde vrouwen. “Jij bent een ongelovige”, riep de mollah en op den duur beaamde Rash dat.

Hij meldde zich, nadat hij een tijdje had geschilderd in symbolen die alleen hijzelf begreep, bij de Koerdische vrijheidsstrijders. Die reageerden geschokt toen hij een wapen weigerde en om verf, doeken en kwasten vroeg. “Jij bent een vrouw in mannenkleren”, hoonden ze. Zijn prenten over zijn folteringen in de Iraakse cel oogstten lof van buurland Iran. Het publiek in Teheran mocht ze op een tentoonstelling bekijken, in het besef dat dezelfde dingen ook in het eigen land gebeuren. Boos was Iran over een krante-artikel, waarin Rash aanzette tot revoluties in Iran en Irak, om een einde te maken aan de oorlog. Toen hij de grens overliep, volgden de godsdienstlessen.

“Ik heb de hele tijd weer aan die jongen gedacht”, zegt Rash droevig. De Pesjmerga's hadden hem in zijn grot een 'adjudant' gegeven, een zestienjarige jongen die boodschappen deed. Deugde niet voor de oorlog. Had geen school gehad. Was wel leergierig. Soms mocht hij met het wapen van Rash door het dorp lopen, was hij ook een keer een vent. En toen heeft hij in de vroege ochtend geprobeerd dat wapen in de grot leeg te schieten op de slapende Rash. En sindsdien waagt Rash zich 's nachts alleen nog aan een lichte slaap.

Rash: “De Irakezen hadden hem geld gegeven. En een Toyota beloofd. Als Koerden geld hebben, trouwen ze of ze kopen een wapen en doden iemand. De Pesjmergacommandant wilde hem executeren. Ik heb dat voorkomen, was bang voor bloedwraak. Later hebben de Irakezen hem vermoord, omdat hij zijn opdracht niet goed had uitgevoerd. Ik heb nog steeds medelijden. Ook omdat hij het slachtoffer was van die stomme politieke posters van me, die me nu niets meer zeggen”.

mailIcon print |