*

 
dossier

Archief

PvdA gevangene van de groei

MARCEL TEN HOOVEN − 01/02/97, 00:00

“Op den duur is niets in economisch opzicht verstandig wat in ecologisch opzicht onverstandig is. Wat ecologisch noodzakelijk is moet de grondslag van economisch handelen worden.” Het initiatief tot miljardeninvesteringen in nieuwe wegen, spoorlijnen en mogelijk zelfs een tweede nationale luchthaven voor tachtig miljoen passagiers domineert de toekomstvisie van het kabinet-Kok. Dat lijkt vooral van de PvdA een opvallende wending, na de radicale uitspraken die het congres en partijleider Wim Kok eerder deden over economie en ecologie. Maar de sociaal-democraten blijken op een expanderende economie aangewezen. Zonder groei van de economie geen sociaal-democratie: “Er zal serieus rekening moeten worden gehouden met een verdere aantasting van het milieu onder invloed van de industriële productiewijze.”

“De sociaal-democratie heeft een huwelijk met de materiële vooruitgang”, zei de politicoloog en oud-partijbestuurder Bart Tromp ooit. Dat is nu niet anders dan in de jaren van Joop den Uyl, volgens wie de sociaal-democratie zonder welvaartsgroei zelfs ten onder zou gaan. Hij schreef in 1951: “Het socialisme is niet alleen een beweging tot vergroting van de welvaart, omgekeerd is hogere welvaart een voorwaarde voor de groei van de socialistische gezindheid.”

Ook Kok, zijn opvolger als PvdA-leider, is zich er ten volle van bewust dat zijn politieke beweging alleen bij de gratie van een expanderende economie succesvol kan functioneren. Dat is één van zijn drijfveren achter zijn campagne om de investeringen in de infrastructuur van Nederland te veelvuldigen. Met het initiatief tot nieuwe wegen en spoorlijnen heeft zijn kabinet het idee dat de maatschappij 'maakbaar' is nieuw leven ingeblazen.

Nam het tweede kabinet-Thorbecke (1862-1866) 'de spade op de schouder' om het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg te graven, het kabinet-Kok kan in zijn annalen ingrijpende projecten als de Betuwelijn, de Hoge-snelheidslijn en de uitbreiding van Schiphol optekenen. Kok spant zich in de Nederlanders te laten wennen aan het idee dat hun land nog lang niet 'af' is. Het kabinet stelt daarom voor het eerste decennium van de nieuwe eeuw talloze nieuwe wegen, spoorlijnen èn een tweede nationale luchthaven in het vooruitzicht.

Achter het bieden van ruim baan aan auto's, treinen en vliegtuigen gaat een doelbewuste keuze over de inrichting van de economie schuil. Die keuze houdt in dat Nederland zijn positie van internationaal verkeersknooppunt kan verstevigen door voorrang te geven aan de verbindingen met economische centra in Europa.

“Een belangrijke basis voor de welvaart van ons land ligt, in Europees perspectief gezien, in de gunstige verkeersgeografische ligging en de daarmee verbonden activiteiten in de sfeer van transport, distributie, industrie en dienstverlening”, schreef het kabinet op Prinsjesdag. Het beoogt met de miljarden-investeringen in infrastructuur die ligging ten volle voor de economie uit te buiten, met het doel de jaarlijkse groei van de welvaart blijvend op een hoger niveau (3 procent) dan thans te brengen.

Veelzeggend voor de prioriteiten van het kabinet is dat de treinreiziger uit Amsterdam straks even snel naar Parijs rijdt als naar Groningen, in een trein die met driehonderd kilometer per uur het enkelspoors boemeltje tussen de twee universiteitssteden Utrecht en Leiden kruist. De verklaring is dat de verbinding met Parijs, via de internationale luchthaven Schiphol en de Europese hoofdstad Brussel, uit economisch oogpunt van aanmerkelijk zwaarder gewicht is dan die met Groningen, Utrecht of Leiden.

Hoewel het kabinet pretendeert dat de uitbreiding van de verkeerscapaciteit kan samengaan met een beter beheer van ecologie en natuur, ondergraaft het in de praktijk dat streven. Aan de ene kant prijst het hoge-snelheidslijnen aan als concurrent van het Europese vliegverkeer, aan de andere kant geeft het met het initiatief tot een tweede luchthaven toe aan de groei van de luchtvaart.

Aan de ene kant voert het aan dat de Betuwelijn nodig is om het vrachtvervoer over de weg te verminderen, aan de andere kant besluit het de parallelle wegen naar Duitsland te verbreden met een aparte rijstrook voor vrachtauto's.

In de afweging van het kabinet gaat de economie, als het erop aankomt, vóór de ecologie. De keuze van de grootste coalitiepartij, de PvdA, voor de omgekeerde volgorde is een incident gebleken. Het partijcongres sprak in februari 1991 letterlijk uit dat duurzame ontwikkeling van een hogere orde is dan de traditionele doelstellingen van het sociaal-economisch beleid, zoals groei van de economie. Het verhief natuur- en milieubehoud tot de beperkende voorwaarde voor verdere economische ontwikkeling.

Het congres trad met die opstelling in het spoor van Kok. In zijn eerste grote politieke rede als PvdA-lijsttrekker, in Nijmegen, citeerde Kok in 1989 met instemming het beginselprogramma van de Duitse zusterpartij, de SPD: “Op den duur is niets in economisch opzicht verstandig wat in ecologisch opzicht onverstandig is. Wat ecologisch noodzakelijk is moet de grondslag van economisch handelen worden.”

In de praktijk is de PvdA van deze uitspraken teruggekomen. De geschiedenis van de beweging toont waarom de sociaal-democratie niet anders kan dan zich verbinden met economische groei. Zij kan haar pretentie van maakbaarheid van de samenleving alleen waarmaken in een economie die daarvoor dankzij groei de financiële middelen oplevert. Dat maakt een keuze voor ecologie boven economie voor de PvdA een ongerijmde keuze.

In Nederland kwam de sociaal-democratie in de gedaante van de Sociaal-democratische arbeiderspartij (SDAP) aan het eind van de vorige eeuw op, als reactie op het onvermogen van de liberalen, tot dan toe de overheersende politieke stroming, om arbeiders tot volwaardige burgers te verheffen.

De SDAP bekommerde zich in de eerste plaats om de uitzichtloosheid van het industrieproletariaat. “Ik zie de kinderen uit het volk, zoals zij thans de scholen bezoeken met hun bleke, grauwe, magere gelaten, hun doffe moeie ogen, hun sluike haren, hun ongelooflijk vervuilde lichamen, met korsten en zweren en uitslag en ongedierte, met hun lompen van kleren”, zo beschreef in 1919 de Vlaardingse onderwijzer Koos Vorrink, de latere SDAP-voorzitter, de aanblik van zijn leerlingen.

Als kinderen van de Verlichting, het tijdperk dat zich van het voorgaande onderscheidde door de menselijke wil boven de goddelijke beschikking te verheffen, deelden liberalisme en sociaal-democratie het geloof in de maakbaarheid van de mens. Beide ideologieën hadden de vorming van mensen tot mondige burgers als ideaal. Een ieder moest, in de woorden van de liberaal Kappeijne van de Coppello, het 'volle genot der beschaving' ten deel vallen.

Ten opzichte van het proletariaat schoot het 19 e eeuwse liberalisme in dat streven echter tekort. Zijn leer van staatsonthouding verhinderde het liberalisme in de economie in te grijpen ten behoeve van materiële lotsverbetering van de fabrieksarbeiders. Een essentieel burgerrecht als bezitsvorming bleef daardoor buiten hun bereik. De liberalen keerden zich destijds bovendien tegen het algemeen kiesrecht, vanuit de gedachte dat alleen mensen van materiële welstand tot onderscheid en inzicht in staat zijn. Het onthield het proletariaat daarmee een recht dat wezenlijk is voor de ontplooiing van het burgerschap.

Het liberaal tekort trad in het tijdperk van de industrialisatie, met de groei van de bezitsloze onderklasse aan het licht. De sociaal-democratie voorzag in die leemte door de figuur van de industrie-arbeider zijn plaats in het politieke en sociale denken te geven. “De socialisten gaven de massa van de arbeiders zelfrespect en politieke invloed, zij beperkten de macht van de ondernemers door de tegenmacht van de vakbeweging, zij schiepen de sociale rechtsstaat, zij tekenden voor de verzorgingstaat”, zo omschreef de socioloog J. A. A. van Doorn de verdienste van de sociaal-democratie.

Hij concludeerde: “Zij vormden de meest imposante emancipatiebeweging die onze eeuw heeft gezien.” Ook in niet-materiële zin droeg de sociaal-democratie bij aan het zelfrespect van de arbeider, door zijn arbeid te verheffen van maatschappelijke plicht tot ultieme vorm van zelfexpressie. Sociaal-democraten hebben weinig op met het beeld dat Karl Marx van een ontspannen samenleving schetste: “Daarin is het mogelijk vandaag dit te doen en morgen wat anders, te jagen in de ochtend, te vissen in de middag, 's avonds het vee te verzorgen en na het avondeten te filosoferen.”

Het is geen toeval dat de twee grootste ideologische crises in de geschiedenis van de sociaal-democratie zich voordoen als haar belangrijkste inspiratiebronnen, het algemeen kiesrecht en de verheffing van de arbeider, in het geding zijn. De eerste crisis dient zich aan als de SDAP wordt beschaamd in haar rotsvaste vertrouwen dat na de invoering van het algemeen mannen- (1917) en vrouwenkiesrecht (1919) de absolute meerderheid in het parlement in het verschiet zou komen. In plaats daarvan boekt de partij bij de verkiezingen nadien slechts een schamele zetelwinst.

Het wijkende perspectief van de alleenheerschappij, gevoegd bij de mislukte revolutiepoging van partijleider Troelstra in 1918, maakte de sociaal-democraten onzeker. Ze kwamen met een schok tot de ontdekking dat de verwezenlijking van het einddoel nog ver buiten hun bereik lag. Sindsdien vervluchtigde gaandeweg het utopisch ideaal van een klassenloze maatschappij waarin de productiemiddelen in handen zijn van de gemeenschap, om plaats te maken voor een praktische instelling, gericht op bevordering van de economische groei, matiging van de uitwassen van de markt en herverdeling van de welvaart. Welbeschouwd reikte de ambitie van de sociaal-democratie na dat eerste ideologische zelfonderzoek niet hoger dan het doel van het onverantwoordelijk kapitalisme een verantwoordelijk kapitalisme te maken, in de woorden van de historicus Piet de Rooy.

Dat verantwoordelijke kapitalisme kreeg vorm in het Plan van de Arbeid (1935). Voor die tijd had de partij lijdzaam afgewacht of de diepe economische crisis van die jaren zou overwaaien. Het wegvallen van het utopisch ideaal had de SDAP onmachtig gemaakt een alternatief te formuleren voor de bezuinigingen en loonsverlagingen die Colijn tegen de crisis inzette. De jonge econoom Jan Tinbergen, bijgestaan door zijn studievriend ingenieur Hein Vos, doorbrak met het Plan van de Arbeid die patstelling, door met een pleidooi voor publieke werken en planmatige beheersing van de economie een aansprekende oplossing voor de crisis en de werkloosheid te formuleren.

Essentieel is dat de SDAP met het Plan het fundament legde voor een verbreding van arbeiders- tot volkspartij. De verkiezingsresultaten sinds de invoering van het algemeen kiesrecht hadden de partij doordrongen van de noodzaak haar electoraat te verbreden. Met het Plan verbond de sociaal-democratie zich met de middengroepen, een relatie die voor de PvdA thans van levensbelang is en daarom grote invloed uitoefent op de koers van de partij. In zijn Den Uyl-rede zei Kok dat de steun van de middenklasse onontbeerlijk is voor een moderne verzorgingsstaat. Hij betitelde deze klasse als 'de buik' en 'het hart' van de samenleving.

De SDAP maakte de opening naar de 'nieuwe middenstand' in de eerste plaats door in het Plan de bestaande eigendomsverhoudingen te respecteren, hetgeen de dreiging temperde die de sociaal-democratie tot dan toe vormde voor de economische en maatschappelijke orde. Tinbergen nam die dreiging verder weg in De les van dertig jaar, het boek uit uit 1944 waarin hij vaststelde dat de ondernemingsgewijze productie de persoonlijke vrijheid beter waarborgt dan dwangmatige stelsels als het klassieke socialisme. Een nog duidelijker tegemoetkomend signaal aan de middengroepen was dat het Plan zich onder het motto Bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil tot doel stelde de materiële omstandigheden van het hele volk, niet alleen de arbeiders, te verbeteren.

Tinbergen trok de conclusie dat voortgaande economische groei vereist is om de bestaanszekerheid voor iedereen te waarborgen. Met de toenadering tot de middengroepen heeft de sociaal-democratie haar lot onlosmakelijk verbonden met de noodzaak van economische groei, iets wat tot op de dag van vandaag geldt.

Het streven naar bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil beloofde van de arbeiders bezitters te maken, met een materieel belang bij behoud van de bestaande orde. Ook die 'verburgerlijking' van de arbeiders sorteerde een matigend politiek effect op de sociaal-democratie. De 'doorbraak' naar andere kiezersgroepen kreeg gestalte in de oprichting van de PvdA, in 1946, waarin de sociaal-democraten de samenwerking aangingen met vrijzinnig democraten en christen-radicalen.

Niet alle oudgedienden waren gelukkig met die ontwikkeling. Voormalig partijleider Albarda klaagde: “Men heeft de SDAP uitgeleverd als een hulptroep voor een breede partij die den naam socialisme wel gebruikt, maar het niet draagt als een schat in het hart, als een verheven ideaal dat onze dagen vult met geluk. Het ideaal is verbleekt, doordat men het door allerlei fatsoeneering die vernieuwing moet heten, aannemelijk heeft willen maken voor groepen die het altijd hebben bestreden of gering hebben geschat en die er nooit door zijn ontroerd.”

Hij was in zijn beweging één van de weinigen, een dissonant in de sfeer van opgewektheid die de snelle en constante economische groei in de jaren vijftig veroorzaakte. Niet Albarda maar Joop den Uyl, als directeur van de Wiardi Beckmanstichting in die jaren de belangrijkste ideoloog van de PvdA, verwoordde het overheersende gevoel in de PvdA. Na een korte periode waarin Den Uyl zich als radicale socialist en voorstander van de socialisatie van productiemiddelen presenteerde, trad hij in de voetsporen van Tinbergen. Net als zijn leermeester omarmde Den Uyl de ondernemingsgewijze productie, aanvaardde hij de werking van markt en prijsmechanisme, verwelkomde hij de middengroepen als nieuw electoraat en was hij een hartstochtelijk pleitbezorger van economische groei.

“Een instelling gericht op de inkrimping van behoeften, op stabilisatie en rust bij de gegeven technische mogelikheden vormt één der gevaarlijkste bedreigingen voor werkgelegenheid en levenspeil. De economie van de komende periode zal expansief zijn of ze zal niet zijn”, sprak Den Uyl in 1956 tot de vakcentrale NVV. Volgens hem was een ware socialistische partij herkenbaar aan haar 'hardnekkig streven' naar welvaart. Enige tijd later zei hij: “Het blijft waar dat we economische groei nodig hebben om de gevolgen van de groei op te vangen.” Dat is een redenering die bij de sociaal-democraten ook nu nog opgeld doet in hun denken over de bestrijding van de milieucrisis.

Den Uyl was volgens Frits Kremer, een historicus die de economische inzichten van de latere partijleider bestudeerde, 'gebiologeerd' door economische groei. Hij ging destijds in dat opzicht zo ver dat hij, vanwege het mogelijke gevaar voor de economische groei, een verdere herverdeling van de inkomens ten gunste van de laagstbetaalden afwees. Den Uyl was daarentegen begaan met het materiële lot van de middengroepen, op wier 'wrok' de sociaal-democratie zich zijns inziens moest richten. Hij verbond de vergroting van de welvaart met het belang dat de PvdA electoraal bij de steun van de middengroepen had. Vandaar: “Het socialisme is niet alleen een beweging tot vergroting van de welvaart, omgekeerd is hogere welvaart een voorwaarde voor de groei van de socialistische gezindheid.”

Den Uyl had niet zozeer het oog op vergroting van de welvaart in materiële zin. In 1956 schreef hij al in Socialisme & Democratie dat de PvdA een verderreikend perspectief diende te bieden dan een auto, een tv en een ijskast voor elk gezin. Hij haakte aan bij het klassieke socialistische ideaal van de volksopvoeding, met een pleidooi voor 'de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid' en 'de vergeestelijking van het arbeidersbestaan'. Hij stelde vast dat de geestelijke nood van de arbeiders 'van ontstellende omvang' was: “In de culturele sfeer liggen de grote tekorten van het volksleven. Daar zijn het dringendst voorzieningen nodig om gelijkheid van kansen tot ontplooiing van kennen en kunnen van een ieder te verzekeren.” Hij werkte deze cultuursocialistische gedachten in 1963 nader uit in Om de kwaliteit van het bestaan, het fameuze rapport waarvan de centrale gedachte over spreiding van macht, kennis en inkomen tien jaar later het fundament van het kabinet-Den Uyl vormde.

Niettemin stond of viel ook dit pleidooi voor een sociaal-culturele politiek met een voortgaande economische groei, zoals luttele maanden na het aantreden van dat kabinet bleek. Door de oliecrisis zakte de economische groei waarvan Om de kwaliteit van het bestaan nog als vanzelfsprekend uitging in, met alle gevolgen vandien voor het beleid dat Den Uyl wenste. Het vergde vele jaren voordat de PvdA zich van deze nieuwe economische werkelijkheid bewust werd. “Het vermenigvuldigen was vergeten, het delen vergde alle aandacht”, vat de historicus Piet de Rooy de opstelling van de sociaal-democraten destijds samen.

Het wegvallen van de economische groei luidde de tweede ideologische crisis van de sociaal-democratie in, na die in de jaren twintig. De stagnatie van de economie bracht de verzorgingsstaat in gevaar. De financiële basis ontviel aan allerlei regelingen op het terrein van sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs waarin het sociaal-democratische ideaal van de materiële en sociaal-culturele verheffing van de arbeider gestalte kreeg.

Het onvermogen van de PvdA haar opvattingen over de verzorgingsstaat aan te passen aan een stagnerende economie sloeg in de jaren tachtig om in onzekerheid over het eigen gedachtengoed. Het gevolg was dat de partij die in de progressieve golf van de jaren zestig en zeventig het ideologisch overwicht had bezeten, nu nauwelijks nog aan het publieke debat deelnam en het initiatief moest laten aan de no-nonsense-politici van CDA en VVD.

De Rooy constateert dat de PvdA, net als ten tijde van de eerste ideologische crisis, de neiging vertoonde de eigen onzekerheid te overschreeuwen: “Zoals in de jaren twintig, dertig de ongewisheid over het programma verborgen werd achter een naïef anti-militarisme en een wat al te gemakkelijke kritiek op Colijn, zo werd in de jaren tachtig eenzelfde beweging gemaakt met een overmatige ideologisering van de opvattingen over kernenergie en kruisraketten en ondoordachte aanvallen op het beleid van CDA en VVD.”

Die radicale oprisping van de PvdA ten spijt, stelde Paul Kalma, medewerker van de Wiardi Beckmanstichting, in 1987 in zijn boek Het socialisme op sterk water vast dat sociaal-democratie zonder kapitalisme niet kan bestaan. Niet alleen verschaft het kapitalisme de materiële basis onder de verzorgingstaat, de 'mooiste prestatie van menselijke en georganiseerde wilsvorming' (Kok), ook is het volgens hem de voedingsbodem van de democratie. Hij stelt vast dat er geen land bestaat waar democratie zonder markteconomie voorkomt. Hij concludeert: “Kennelijk krijgt een vrije, democratische samenleving alleen dan voet aan de grond, indien het economisch systeem wordt gekenmerkt door een grote mate van autonomie tegenover de staat. Indien, met andere woorden, een machtenscheiding tussen economie en politiek gehandhaafd blijft.”

Kalma trekt uit deze waarneming vergaande conclusies voor natuur en milieu. Hij wijst een economie die wordt ingeperkt door de eisen van de ecologie af, omwille van de kapitalistische markteconomie en de democratie. Om die reden gruwt hij van de blokkade die de PvdA in die tijd tegen de uitbreiding van kernenergie opwerpt. Hij concludeert: “Er zal serieus rekening moeten worden gehouden met een verdere aantasting van het milieu onder invloed van de industriële productiewijze. Sociaal-democraten dienen onverbloemd de zijde van de industriële maatschappij te kiezen. Dat wil zeggen, de sociaal-democratie bestrijdt specifieke vormen van vervuiling maar accepteert de onvermijdelijk negatieve gevolgen die een grootschalige, industriële productiewijze voor het milieu heeft.”

Dankzij de economische groei is een confrontatie in de paarse coalitie, tussen PvdA en VVD, over de sociale zekerheid tot dusver uitgebleven. Het ontlastte de coalitie van de noodzaak verder op het sociale stelsel te bezuinigen.

Ook Wim Koks toekomstbeeld van een gerevitaliseerd Nederland met een moderne verzorgingsstaat is onlosmakelijk verbonden met economische groei. In een rede voor de universiteit van Twente, op 3 oktober vorig jaar, legde hij een verband tussen de voorgenomen investeringen in de infrastructuur, economische groei en sociale vooruitgang. Alleen in een expanderende economie is het sociale beleid mogelijk dat hij wenst. “Goede economische prestaties en een hoog niveau van werkgelegenheid zijn noodzakelijke voorwaarden voor sociale vooruitgang.”

Voor de PvdA zijn andere financieringsbronnen dan economische groei uitgesloten. Bij een krimpende economie is de verzorgingsstaat alleen overeind te houden door de burgers hogere lasten op te leggen, hetgeen onherroepelijk ten koste gaat van de middenklasse. Dat plaatst de PvdA voor de onmogelijke keuze tussen behoud van de verzorgingsstaat, of behoud van haar electorale basis in de middengroepen. Aan dat duivelse dilemma kan de PvdA alleen ontsnappen door de 'economie van het genoeg' tot een dwaling te verklaren, de milieucrisis ten spijt.

mailIcon print |