Felix Rottenberg betwijfelt of hij in de eerste jaren na zijn voorzitterschap ('mijn dienstplicht') op de vergaderingen van zijn afdeling zal verschijnen. De PvdA-voorzitter: “Dan moet er nog wel het een en ander veranderen. Mijn indruk van de meeste afdelingen is dat zij hun tijd besteden aan interne beraadslagingen over zichzelf. Hun vergaderingen zijn kerkelijke zittingen van de rode zuil, in plaats van discussiebijeenkomsten over de stad.”
Met deze kenschets bevestigde Rottenberg zijn toehoorders, leden van de PvdA-afdeling Leiden, vrijdagavond in hun idee dat de voorzitter niet veel op heeft met de laagste partijregionen. Rottenberg sprak in Leiden, om te reageren op de aanval die de voormalige partijbestuurder Bart Tromp op hem heeft ingezet. Tromp verwijt Rottenberg de leden monddood te hebben gemaakt, door de zeggenschap van de afdelingen in te perken ten faveure van vage netwerken en persoonlijke coterietjes. “Rottenberg beschouwt de leden als iets lastigs uit het verleden. Hij heeft een hekel aan het congres, aan de afgevaardigden en aan de leden. Eigenlijk zouden we een andere partij voor de voorzitter moeten zoeken”, zei Tromp vorige week voor dezelfde Leidse afdeling. Algemene bijval was zijn deel.
De partijvoorzitters van PvdA en CDA hebben op het ogenblik geen gemakkelijk bestaan. Het ligt voor de hand dat de electorale spanningen waaraan de twee traditionele volkspartijen zijn blootgesteld, op het partijleven zelf terugslaan. De meeste kritiek komt neer op de hoofden van de voorzitters, als eerstverantwoordelijkheden voor de partij-organisatie. Daarmee houdt de overeenkomst overigens op. Sterker nog, de problemen van Hans Helgers en Felix Rottenberg zijn spiegelbeeldig.
Hoe tactloos zijn optreden op zich ook moge wezen, CDA-voorzitter Helgers heeft ontegenzeggelijk het gevoel van veel leden verwoord met zijn uitspraken over de ondervertegenwoordiging van katholieken, vrouwen en jongeren in de Tweede-Kamerfractie. Het is in dat licht de vraag hoe de achterban zal oordelen over de straf die de Kamerfractie aan Helgers heeft opgelegd. Het wringt hoe dan ook dat Heerma de leden het ene moment bijna liefkozend 'ons goud' noemt, om hun vertegenwoordiger het volgende moment te muilkorven. Met die actie demonstreerde Heerma als het ware de kloof tussen de partijtop en de basis, waaraan de commissie-Gardeniers in haar analyse over de verkiezingsnederlaag refereerde als een van de oorzaken van de electorale ramp.
Rottenberg daarentegen staat tegenover zijn leden. Die indruk wekte althans de bijeenkomst in Leiden waarop Tromp zijn kritiek op de partijvoorzitter toelichtte. Bij geen van de aanwezigen kon Rottenberg nog op enig krediet rekenen. Een stuk in het plaatselijke partij-orgaan zal evenmin aan een goede verstandhouding met de partijvoorzitter hebben bijgedragen. Oud-wethouder Paul Bordewijk laakt daarin Rottenbergs uitspraak dat 'kommaneukers en vergadertijgers' de vaste kern van de afdelingen uitmaken.
Volgens Bordewijk miskent de partijvoorzitter met deze woorden het belang dat afdelingen voor de politieke democratie vormen: “Zij behoren tot de schaarse gremia waaraan mensen deelnemen vanuit belangstelling voor de publieke zaak zelve, zonder bij voorbaat op te komen voor de eigen straat, wijk of vereniging. Dat ook in Leiden deze kern steeds kleiner wordt, valt niet te verwonderen wanneer mensen die de moeite nemen af en toe een avond te besteden aan de ondersteuning van de parlementaire democratie, op deze wijze vanuit het centrale partijkantoor worden geschoffeerd.” Bordewijk zet zijn kritiek zwaar aan: “In de jaren dertig werd de parlementaire democratie door veel mensen even zeer als gedateerd beschouwd als nu de interne partijdemocratie door onze voorzitter.”
Felix' charme doet grimmigheid vervliegen
Wie met deze polariserende vergelijking in het achterhoofd de bijeenkomst van afgelopen vrijdagavond bezocht, zal verrast hebben opgekeken over de vriendelijke ontvangst die de afdeling Rottenberg bereidde. Geen spoor meer van de grimmige sfeer van een week eerder. Rottenberg vermag zelfs met zijn vergelijking tussen een afdelingsvergadering en een kerkelijke bijeenkomst geen zichtbare ergernis te wekken. Het meisje dat bij Tromp nog aankondigde in aanwezigheid van de partijvoorzitter in woede te zullen ontsteken, hoort hem in alle rust aan en rept met geen woord meer van haar aversie tegen 'Rottenbergs netwerkjes'. En ook Bordewijk laat het er verder bij zitten, na een enkele kritische vraag.
Het geheim van de matigende werking van Rottenbergs betoog is dat hij klaarblijkelijk appelleert aan een algemeen onrustgevoel onder de Leidse leden. Kern van zijn verhaal is dat de kiezers nog altijd het idee hebben de PvdA niet helemaal te kunnen vertrouwen, sinds de sociaal-democraten in 1991 onverhoeds de WAO op de helling zetten. “Die schok werkt tot de dag van vandaag door. Van het ene moment op het andere verloren onze kiezers het vertrouwen dat de verzorgingsstaat bij de PvdA in goede handen is.” Een gevoel dat afdelingsvoorzitter Tan Toan Hok verwoordde met een citaat van Rosa Luxemburg. “Wer hat uns verraten? Die sociaal-democraten!” riep zij uit, nadat de Duitse sociaal-democraten in 1919 de bolsjewistisch geïnspireerde Spartakistenopstand uiteen hadden geschoten.
Rottenberg ziet een link tussen de WAO-crisis en de verstarde partij-organisatie van destijds. De PvdA was in de sfeer van georganiseerd wantrouwen dat de verhoudingen tussen partijtop en basis domineerde, zozeer op zichzelf gefixeerd dat zij geen oog meer had voor de veranderingen in de maatschappij. Rottenberg kon zich in Leiden volledig vinden in de woorden van AbvaKabo-bestuurder Loek Gerards: “We legden een taboe op de werkelijkheid. De criminaliteit steeg niet, het financieringstekort bestond niet en over de kruisraketten was slechts één mening de juiste.” Volgens Rottenberg is de WAO-kwestie een symptoom van deze geslotenheid. “De WAO-crisis toonde ons onvermogen te signaleren wat de burgers werkelijk beroerde. De partij was onmachtig permanent te signaleren wat goed ging en wat fout in de samenleving. Er was iets mis met onze partijcultuur en dat werkte door in al onze ideeën.”
Alleen de uitdaging van het onverwachte kan de PvdA in Rottenbergs visie vatbaar maken voor maatschappelijke veranderingen. De consequentie voor de partijorganisatie is dat de PvdA zich moet openstellen voor buitenstaanders met een onvoorspelbare mening, ten koste van de invloed van leden. Rottenberg beschouwt dat naar zijn zeggen als z'n belangrijkste opdracht: “De organisatie bepaalt straks de kwaliteit van het argument.”
Het verhaal sloeg aan bij de Leidse PvdA'ers. Ze tasten na de WAO-crisis nog altijd in het duister over de inhoudelijke koers van hun partij. “Als je compromissen wilt sluiten, moet je eerst weten wat je zelf wilt”, zei Bordewijk. Volgens hem is de PvdA daarom, ofschoon zij als grootste partner de minister-president levert, in de paarse coalitie minder zichtbaar dan de VVD. Alsof hij Bordewijks waarneming wilde onderstrepen, formuleerde een andere toehoorder het toppunt van onzekerheid: “Ik weet niet waar ik sta en de partij vertelt het mij niet.”
Of overtuigde Rottenberg niet zozeer met de inhoud van zijn betoog, alswel met de stijl? Dat hoeft geen verwondering te wekken. Zijn overtuigingskracht schuilt meer in hoe hij iets zegt dan in wat hij zegt. Rottenberg beschikt over een ongekend talent om mensen voor zich in te nemen. Dat talent gaf Rottenberg het gebaar in om de stropdas met rode rozen waarmee de Leidse afdeling hem voor zijn aanwezigheid bedankte, door te geven aan de man die verklaarde dat het socialisme voor hem nog slechts nostalgische waarde had. De gebruikelijke fles wijn trof een vergelijkbaar lot. Zijn grootste tegenstander in Leiden, Bordewijk, stond er wat onhandig bij nadat Rottenberg hem deze Macon in handen had gedrukt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.