*

 
dossier

Archief

WK moet gelijk van Alberda aantonen

NICOLIEN VAN DOORN − 29/09/94, 00:00

THESSALONIKI - Vanaf de top van de berg merk je niets van de verkeersdrukte, de drukkende hitte en de smerige smog. Hier, vanaf het terras van het spelershotel, is er niets anders dan een adembenemend mooi uitzicht. Diep onder ons schittert de havenstad Thessaloniki in al zijn duizenden lichtjes. “Uitzicht?”, zegt Joop Alberda verbaasd. “Welk uitzicht? Het is me eerlijk gezegd nog niet opgevallen.”

Wanneer een bondscoach met zijn gevolg van twaalf volleyballers, een assistent, een manager, een arts en een fysiotherapeut neerstrijkt op een plek waar het wereldkampioenschap gehouden wordt, heeft hij geen oog voor zijn omgeving. Hij merkt niet dat het buiten snikheet is, hij proeft niet wat hij eet, het interesseert hem niet wat er in de rest van de wereld gebeurt. En dat hij en zijn zestienkoppige gevolg zijn ondergebracht in een hotel, dat uiterst fraai tegen een berg ligt aangeplakt, zal hem zo een zorg zijn. “De buitenwereld dringt niet tot me door. Wat daar gebeurt wordt opgenomen, maar zakt vervolgens net zo hard weer weg. Terwijl ik normaal gesproken toch iemand ben die wel degelijk bij de wereldproblematiek stilstaat.”

Voor Alberda en zijn team, dat vanmiddag de eerste groepswedstrijd tegen Zweden speelt, heeft de wereld zich heel even vernauwd tot het Alexandrion Sportpaleis. Een in het centrum van Thessaloniki gelegen sporthal, waarvan de ronde koepelvorm meteen al voor problemen zorgde. “Het is een ontzettende echobak”, klaagt Alberda. “Het geluid van iedere geslagen bal wordt via een geluidswal teruggekaatst. Volgens het principe van de overbekende echoput.” Horen en zien verging ze, toen er gisteren tijdens de training plotseling vijfhonderd mensen opdoken die een oefensessie hielden voor de opening van het toernooi. “Het ene volkslied na het andere galmde door de zaal”, grinnikt Alberda. Hij kan zich nu al voorstellen hoe het klinkt, als de komende dagen alle 5256 stoeltjes met enthousiaste toeschouwers zijn gevuld.

De training verliep overigens geheel naar wens. Precies zoals Alberda vorige week al had gedacht, toen zijn ploeg in drie oefenwedstrijdjes tegen Canada op 80 procent van zijn kunnen draaide en hij voorspelde dat het ontbrekende percentage in Griekenland vanzelf zou worden toegevoegd. “Zodra de spelers de officiële arena binnenstapten, kwamen de laatste ontbrekende stukjes erbij. Ze hebben allemaal het gevoel dat ze aan de bak willen, dat ze nou wel eens losgelaten willen worden.” Waaraan hij dat merkt? “Ze ergeren zich mateloos aan storingen van welke aard dan ook. Veel meer dan anders. Hun tolerantiegrens is een stuk lager dan normaal.”

Het WK in Griekenland is niet zomaar een WK. Op dit WK, zegt Alberda, zal duidelijk worden of het nieuwe systeem heeft gewerkt of niet. Over tien dagen, als de finale is gespeeld en Nederland al dan niet tot de medaillewinnaars behoort, kan de balans worden opgemaakt van een experiment, dat twee jaar heeft geduurd. Dan weet Alberda of het verstandig is geweest om de internationals niet langer centraal te laten trainen en ze de helft van het jaar terug te sturen naar de eredivisie. “Het nieuwe systeem heeft op het EK weliswaar een zilveren medaille opgeleverd”, zegt Alberda, “maar dat kan nog als een incident worden afgedaan. Wat ook zeker zal gebeuren, als onze prestatie op het WK tegenvalt. Daarom is het zo belangrijk dat we hier hoog eindigen. Als dat lukt, kan niemand ons verhinderen op de ingeslagen weg verder te gaan.”

In tien jaar tijds heeft het Nederlandse topvolleybal twee generaties opgeleverd. Het begon allemaal in 1986, toen een stelletje bezeten Martinus-spelers onder leiding van Arie Selinger uit de eredivisie stapte en voor het eerst in de geschiedenis de mondiale top bereikte. Twee jaar geleden, toen Selinger definitief afscheid nam van Nederland, ontstond de huidige generatie van parttime internationals. “Maar pas als de derde generatie aan bod is en die er eveneens in slaagt in de wereldtop mee te draaien, zullen we beschouwd worden als een volwaardige sport”, voorspelt Alberda. “Dan pas houden we op een project te zijn, dat best aardig is geweest.”

Essentieel belang

Vandaar dus dat het voor volleyballend Nederland van essentieel belang is, als het nationaal team de komende tien dagen een goede prestatie neerzet. Want alleen in dat geval kan de sport rekenen op aandacht van de media, op bijdragen van sponsors en op een volleybalbond, die bereid is een gezonde structuur te creëren. “De bond moet aan bewustzijnsverbreding werken”, zegt Alberda. “Ze kunnen niet eeuwig door blijven modderen. Er moeten mensen komen die zich het hele jaar door fulltime bezighouden met het nationaal team en met de competitie. Er moet een pr-man komen en iemand met een commerciële instelling, die weet wat er nodig is om het Nederlandse volleybal op de langere termijn te laten overleven. Er moet... Ach, er moet zoveel gebeuren.”

Alberda weet precies hoe de toekomstige structuur eruit moet zien. De meeste coaches van sportteams weten dat. Wat ze ook weten, is dat hun plannen vaker wel dan niet stuklopen op problemen van organisatorische, financiële of hiërarchische aard. “De organisaties lopen altijd achter de coaches aan”, stelt Alberda voor de zoveelste keer vast. Er is maar één manier om iets gedaan te krijgen. En dat is met een medaille op een belangrijk toernooi. Op een WK bijvoorbeeld. Daarom is het de komende tien dagen een kwestie van erop of eronder. Is het verwonderlijk dat iemand onder dergelijke omstandigheden geen oog heeft voor de Griekse ansichtkaart, die zich vlak onder zijn voeten ontvouwt?

mailIcon print |