*

 
dossier

Archief

De dwingende reden om samen te zijn

PETER SLOTERDIJK − 10/01/98, 00:00

Wanneer naties als geheel in sociologische seminars konden worden veranderd, zouden ze voor zichzelf hun enige onderzoeksthema moeten worden. Hun totale intellectuele energie zou worden opgeslokt door de vraag hoe het toch ooit gelukt is zich om te vormen tot het onwaarschijnlijke maaksel dat ze zijn. Wanneer naties als eenheden hun autobiografie konden schrijven, zouden ze zich over hun eigen wordingsgeschiedenis moeten buigen en zich moeten toeleggen op het even verleidelijke als ondoorgrondelijk thema dat zij ooit voor zichzelf oertijden uit het niets hebben gecreëerd en van daaruit op weg zijn gegaan 'naar zichzelf'.

In zo'n onmogelijke autobiografie zouden de nationale gedenkdagen de keerpunten markeren van hun eigen geschiedenis. Maar niet altijd lieten de gedenkdagen zich vieren als louter markeringen van voorbije geschiedenis, want zoals de actuele ervaring leert, zijn de dagen van historische herinnering tegelijkertijd eminente gelegenheden om de onverwerkte kwesties van de volkeren opnieuw in beweging te brengen.

Als naties als zodanig zenuwinzinkingen zouden kunnen krijgen, zou het wat de Duitsers betreft op een negende november moeten gebeuren. Met een regelmaat die aan een tic doet denken, staan de Duitsers sinds 1918 al bijna een eeuw lang klaar om op deze dag hun plichten tegenover de geschiedenis te vervullen. Klaarblijkelijk gedragen ze zich als lieden die een afspraak hebben met hun politieke lot en doen ze er alles aan om aanwezig te zijn wanneer op de zoveelste negende november hun geschiedenis opnieuw het woord tot ze richt.

Zoals in de katholieke regionen van Europa de gezinnen op Allerheiligen en Allerzielen de kerkhoven overstromen om de graven op te smukken en het innerlijke gesprek met de doden voort te zetten, zo begeven de Duitsers zich een week later naar de slagvelden van hun nationale herinnering om met een ondoorgrondelijke dwangmatigheid open rekeningen met het verleden te vereffenen. Het lijkt wel alsof er in dit land behalve de christelijke dodengedenkdagen ook een obsessieve nagedachtenis bestaat aan de tevergeefs gesneuvelden uit de Grote Oorlog van 1914 tot 1918, sterker nog, alsof op die negende november de innerlijke oorlogsgraven steeds weer opnieuw worden geopend en alsof onbegraafbare geesten van de fronten van verloren oorlogen terugkeren om aan de levenden hun eisen te stellen.

Uiteraard moet de Duitse politiek zich in deze eeuw van bloedige nederlagen ook altijd bewijzen als uitlegster van de stemmen der gestorvenen, en het is een van de geheimen van de Duitse negende november dat er op deze dag een transcendent gefluister in de lucht hangt, alsof de stemmen van een dodenplebisciet geteld en in de verkiezingen van de levenden opgenomen moeten worden. Natuurlijk is de zojuist gebezigde formule van de afspraak van een volk met zijn lot op zichzelf al enigszins hysterisch, zoals de Duitse novemberbesognes dat ook zijn, want terwijl de een of andere gebeurtenis - met name de aanvangsgebeurtenis van deze Duitse serie, de Berlijnse proclamatie van de eerste Duitse republiek - in zekere zin onschuldig en toevallig op een negende november viel, werden de meeste van de volgende novemberincidenten al door een datum- en herhalingsdwang gekenmerkt, en dat wat er moest uitzien als de macht van het lot blijkt in vrijwel alle gevallen een welbewuste enscenering te zijn.

Adolf Hitler, de politiserende hystericus, die uiteindelijk door zijn stuipen aan de macht werd gebracht, creëerde met zijn mars op München van 1923 zijn eerste grote crisis op het nationale podium. Door zijn somnambule viering van de dag waarop de Duitsers de kille vrijheid van de nederlaag leerden kennen, zorgde hij ervoor dat het nationale geheugen permanent gefixeerd bleef op de fatale en toch kansrijke datum die als een dwangmatige nagedachtenis aan een onwelkome emancipatie in het nationale onbewuste - als er al zoiets bestaat - moest worden gegrift. Hitler had zichzelf - tijdens zijn hysterische blindheid in een lazaret voor de poorten van Berlijn in november 1918 - uitgeroepen tot de eerste inter-preet en afgevaardigde van de gesneuvelden van de wereldoorlog. En in zijn hoedanigheid van bezeten en zelfverzekerde agent van een buitenparlementaire oppositie van gestorvenen wist hij het zo in te richten dat er op de avond van de negende november 1923 opnieuw zinloze gesneuvelden konden worden opgebaard, die later konden worden verheven tot martelaren van de nationaal-socialistische beweging.

Wat zich vanaf dat moment op 9 november op Duitse bodem placht af te spelen - men hoeft maar te denken aan de omineuze Kristallnacht, aan een van de aanslagen op Hitler, aan bepaalde episodes van de studentenbeweging en ten slotte aan die 'nacht der wonderen' van acht jaar geleden, toen een volk zich door de Muur boorde, vond steeds plaats in een context die onveranderlijk bepaald bleef door een merkwaardig soort mengeling van bewustwording en herhalingsdwang.

Het is vaak genoeg gezegd: een van de moedervlekken van de democratische Duitse republieken was het merkwaardige feit dat zij hun vrijheid in de ineenstorting moesten vinden en dat zij tot op de dag van vandaag aan de chronische verleiding zijn blootgesteld de meerwaarde van het eigene enkel in reactie op en in het ressentiment tegen nieuwe omstandigheden te realiseren. Wat de magie van de negende november behelst kan pas duidelijk aan het licht komen wanneer wij beseffen dat deze datum niet het exclusieve eigendom is van de Duitsers van de twintigste eeuw.

Want al die Duitse novembergebeurtenissen staan hoe dan ook in de schaduw van een overweldigende gebeurtenis uit de Franse geschiedenis die zich achter een kalendarisch pseudoniem placht te verschuilen. Zoals bekend schiepen de theoretici van de Franse Revolutie er behagen in de aloude Europese kalender post Christum natum door een nieuwe tijdrekening 'na de afschaffing van de adel', 'na de wedergeboorte van de mensheid in de gestalte van het Franse volk', kortom: 'na de revolutie' te vervangen, en in het kielzog van deze omwenteling van alle data en dingen was ook de prozaïsche Romeinse november, de negende maand, veranderd in de poëtische revolutionaire brumaire, de maand van de mist en de nevel, waarin na het optrekken van de plaatselijke ochtendmist zo nu en dan stralende vergezichten en historische perspectieven zouden worden geopend.

Deze maand nu heeft zijn faam in het literaire en politicologische geheugen van de Europeanen te danken aan het feit dat Karl Marx in de titel van zijn geestrijkste geschrift een toespeling heeft gemaakt op deze getravesteerde november: De achttiende brumaire van Louis Bonaparte. Meteen al aan het begin van dit buitengewone pamflet, dat de staatsgreep van Napoleon III in 1851 en de verwikkelingen van de klassenstrijd tot onderwerp heeft, stuit men op een uitermate verstandige opmerking, die als Hegel-citaat wordt gepresenteerd, namelijk dat alle grote historische gebeurtenissen en personen als het ware twee keer ten tonele verschijnen, waarbij Hegel vergeten was eraan toe te voegen: 'de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht'.

Wat Marx daarmee wil zeggen is voor de kenners van zijn logica zonneklaar: de wet van de verdubbeling - men zou ook kunnen zeggen het beginsel van de onthullende heropvoering bepaalt letterlijk alle historische gebeurtenissen waarin burgerlijke mensen hun aanspraak op vrijheid botvieren; want burgerlijke mensen zijn voor Marx belanghebbende dragers van maskers, die ertoe zijn veroordeeld zelfs in hun hooggestemde historische handelingen uiteindelijk toch alleen maar de inferieure aard van hun hartstochten te openbaren. De burger is het masker van de geldziel.

Terwijl het bij de eerste heldhaftige opvoering steeds om de vrijheid schijnt te gaan, om de vrijheid zonder meer, om de vrijheid van het zichzelf ponerende, met zichzelf radicaal opnieuw beginnende subject, blijkt tijdens de volgende voorstellingen dat per slot van rekening alleen maar de vrijheid van het ultieme burgerlijke belang werd bedoeld: namelijk om met zo min mogelijk moeite op kosten van anderen geld te verdienen, kortom: de vrijheid van rente en rendement, de bewegingsvrijheid van waren en geld, die als verlangen naar gewetensvrijheid moet beginnen om als gewetenloosheid te eindigen. Hoe later dus een revolutionair stuk opnieuw geënsceneerd wordt, des te openlijker zal, volgens Marx, het materiële belang van de spelers aan de dag treden, des te eerder zullen de vrijheidshelden verruild worden voor de liberalen van het profijt, des te cynischer zullen de aandeelhouders hun idealistische masker afzetten om onomwonden en eerlijk tot zaken te komen.

Welnu, de klucht, de beschimping van het burgerlijke idealisme door het nog veel burgerlijker materialisme, zou vanuit dit perspectief bekeken de gelegenheid bij uitstek zijn de omstandigheden zelf te laten spreken, of liever - ze spreken immers wel uit zichzelf: het is voldoende de toestanden op de zich herhalende dolle dagen af te luisteren en ze te boekstaven op het moment van hun meest onverbloemde en cynische zelfopenbaring.

Zouden de Duitse novemberaffaires vanaf 1923 inderdaad alleen maar van die heropvoeringen van het revolutionaire drama zijn geweest maar nu in schertskostuum, dan kon Marx als dramaturg wel eens gelijk hebben gehad. Echter, zo eenvoudig liggen de dingen in het geval Duitsland niet, daar het bij ons maar al te vaak de klucht zelf was die het ontbrekende origineel van het revolutionaire drama moest vervangen.

Het gaat in dit verband alleen om Marx' verwijzing naar die eerste Franse achttiende brumaire, een datum die niets anders is dan een pseudoniem voor de negende november. Zijn historische inhoud is de staatsgreep van Napoleon Bonaparte, die in het jaar VIII van de nieuwe tijdrekening, op die bewuste dag van de nevelmaand, na zijn mislukte Egyptische expeditie via Frejus naar Parijs terugkeerde, als alleenheersende eerste consul de macht greep en onder het civiele mom van de Romeinse princeps inter pares een begin maakte om zijn land de politieke, met andere woorden de nationaal-imperialistische moderniteit binnen te leiden, die zich naar binnen toe als democratie presenteert en naar buiten toe als grote mogendheid met imperialistische neigingen.

VERVOLG OP PAGINA 18 VERVOLG VAN PAGINA 17

In deze zin is de Franse negende november 1799 - we vertalen hem nu weer vanuit de idealistische naar de prozaïsche, vanuit de Franse naar de gregoriaanse kalender - een cruciale datum in de jongste politieke geschiedenis van Europa, en we hoeven ons alleen maar de tekst bij deze gebeurtenis in herinnering te roepen om te begrijpen wat er met al die novemberincidenten sindsdien in wezen aan de hand is.

Napoleon heeft de tekst weliswaar niet precies op 9 november uitgesproken, maar hij heeft de beslissende woorden over zijn politieke daad van die bewuste brumaire iets later tijdens een vergadering van de staatsraad met heldhaftige duidelijkheid naar voren gebracht: “We hebben de roman van de revolutie afgesloten. We moeten nu met haar geschiedenis beginnen en onze aandacht alleen op datgene richten wat gezien onze principes reëel en mogelijk is, en niet op het speculatieve en hypothetische. Thans een andere weg in te slaan zou betekenen dat we zouden gaan filosoferen in plaats van te regeren.”

We hebben de roman van de revolutie afgesloten! We kunnen deze zin niet vaak genoeg herhalen, al was het alleen maar om volledig te peilen wat er beloftevol en wat er schandaleus aan is. Wie deze woorden niet voortdurend in de oren klinken, zal nooit echt vat kunnen krijgen op het geheim van de Europese brumaire politiek en novembercrises. Want wat de grote Corsicaan met zijn dictum de wereld in heeft gestuurd, is niets anders dan de historische formule van de post-revolutionaire burgerlijke Realpolitik - een programma waarvan niet Bismarck maar Bonaparte het auteursrecht blijkt te bezitten. Realpolitik betekent - geheel in de geest van Marx' brumaire-analyses - het overschakelen van het revolutionaire epos van de vrijheid naar het proza van de nationale imperialistische economie.

Neemt men het napoleontische november-programma zo ernstig als het gelet op zijn grondlegger en zijn historische gevolgen verdient, dan zal men onderkennen hoe er een provocatie uit voortvloeide die zich tot alle niet-Franse nationale staten richtte, zowel tot de bestaande als tot die welke nog in wording waren. Al die staten moesten in het vervolg - wilden ze niet in historisch en economisch opzicht naar de tweede rang verwezen worden - bijtijds hun standpunt bepalen tegenover de explosieve politieke en filosofische these dat de roman van de revolutie uitgerekend in het moederland van de revolutie was afgesloten en dat men daar nu van het filosoferen tot het regeren moest overgaan - men zou ook kunnen zeggen van de hysterie tot het zaken-doen en van de stuiptrekkingen op het toneel tot de dagelijkse praktijk van het evenwichtige handelsimperialisme.

Natuurlijk had Napoleon op zijn beurt, toen hij zijn these de wereld in stuurde, de woorden van Robespierre en andere leiders van de Franse revolutie in gedachte, namelijk dat de revolutie niets anders was dan de in vervulling gegane droom van de filosofie. En wie nu net als Bonaparte ervan overtuigd was dat als gevolg van deze vervulling met een nieuw, realistisch en pragmatisch hoofdstuk van de wereldgeschiedenis kon worden begonnen, die zou alle redenen hebben de afsluiting van de revolutieroman te vereenzelvigen met het einde van de filosofie en het begin van een positieve of post-idealistische machts- en economische politiek.

Wat de Duitse novemberaffaires betreft zijn we acht jaar geleden door de val van de Berlijnse Muur tot een voorlopig einde gekomen. Men zou kunnen denken dat de negende november 1989 de vertraagde bevestiging is geweest van de occulte, napoleontische brumaire frase en dat nu eindelijk ook de verlate, Duitse natie in retrospectief begrepen heeft wat eertijds met zoveel autoriteit werd gezegd: we hebben de roman van de revolutie afgesloten en met die roman ook de lange klucht van het autoritaire internaat dat als tweede Duitse staat optrad.

Niettemin ging dit politieke adagium, dat ons van die dagen in herinnering is gebleven, merkwaardig genoeg helemaal niet meer over revolutie en normalisering, laat staan over het verschil tussen poëzie en proza in het bestaan van de tevreden-ontevreden natie. Het ging veeleer over het bijeenhoren en samengroeien. De nagedachtenis aan Willy Brandt is bij ons een onaantastbare, vaste grootheid: het aanzien van deze uitzonderlijke Duitse politicus rust op zulke stevige, eervolle fundamenten dat ik me veroorloof naar aanleiding van zijn beroemde novemberadagium een sceptische vraag te stellen, zonder dat ik de verdenking op me wil laden dat hier getornd wordt aan een van onze weinige positieve monumenten.

Thans groeit samen wat bij elkaar hoort - ik wil dit heerlijk ronde, klassiek naïeve politieke adagium hierop onderzoeken of het zijn succes niet juist aan de omstandigheid te danken heeft dat het uitgesproken werd op een moment dat zulke geluiden allang achterhaald en de eraan ten grondslag liggende ideeën uitgehold waren - in een tijd waarin de meeste mensen in West- en Midden-Europa hun geloof begonnen te verliezen in alles wat met bij elkaar horen en samengroeien te maken heeft.

Ik denk daarbij niet alleen aan de algemene crisis van alle vormen van solidariteit die de geavanceerde samenlevingen irriteert, want er is er niet één die niet meer en meer te kampen heeft met de ongewenste psychologische bijverschijnselen van hun overgang naar in hoge mate door geld bepaalde sociale betrekkingen: ik denk nog eerder aan de gewijzigde omstandigheden op het gebied van de media en aan de nieuwe economische en geografische automatismen die overal onder het parool 'globalisering' bediscussieerd worden.

Wat betekent het wanneer in een dermate verbrokkelde, door media en mobiliteit gekenmerkte wereld een specifieke, een nationale, een historische groep zichzelf ziet als bij elkaar behorend, en de wens uitspreekt om koste wat kost binnen gemeenschappelijke structuren te leven? Hoe kunnen tachtig miljoen mensen zelfs maar bij elkaar horen? Wat betekent het optimisme van Brandt, dat in de Duitse kwestie samengroeit wat bij elkaar hoort - terwijl dit politieke iets al sinds een halve eeuw zo overduidelijk uit elkaar was gegroeid? Wat waren dat dan voor gewassen, die zich op zo'n pathetische wijze, in weerwil van zo'n lange periode van scheiding, wilden definiëren als bij elkaar behorend, samengroeiend, als loten van een stam.

Zijn de moderne naties dan soms politieke plantages waar met intellect begiftigde organismen worden gekweekt als veredelde soorten wijn en thee? Hoe moeten we ons de broeikassen van een dergelijk politiek en sociaal samengroeien voorstellen, en hoe worden deze kassen - als ze al bestaan - gebouwd? Hoe wordt hun klimaat geregeld, welke oogsten leveren ze op, wie bekommert zich om hun onderhoud?

Ik maak me druk over iets wat voor vele, misschien gelukkigere en beslist naïevere mensen nog altijd helder, eenvoudig en onbelangrijk is. De reden waarom ik me druk maak en het motief voor deze tobberigheid kunnen onder een duidelijke, intense en op de toekomst gerichte noemer worden gebracht. Wie het op 9 november heeft over de reden van het samenzijn van mensen in politieke constellaties, in nationale plantages, kortom: in moderne, door geld en massamedia beheerste volkeren, wie wil weten wat een datum als deze uiteindelijk heeft te betekenen; die zou het beste door kunnen vragen naar de dwingende reden voor nationale coherentie en collectieve ontvankelijkheid; die zou moeten weten binnen welk politiek idioom woorden als 'bij elkaar horen' en 'samengroeien' betekenis krijgen.

Ik geef toe, dit zijn allemaal vragen die op zich al een noemenswaardig Duits element in zich bergen, want wat erdoor ter sprake wordt gebracht, zijn essentiële vragen en authenticiteitsproblemen, het zijn in één woord novembervragen waaraan we ons gedurende onze betere maanden ontgroeid voelen. Ik vraag dus in degelijk, filosofisch en klinisch Duits naar de dwingende reden die mensen hebben om samen te zijn in grote politieke eenheden van het type moderne, imperialistische, nationale staten.

Ik zou willen weten hoe het mogelijk is een volk dat vele miljoenen zielen telt onder zo'n effectieve culturele hypnose te brengen en onder zo'n geluiddichte telecommunicatieve stolp te zetten dat de mensen die erin leven zich desnoods ter verdediging van hun illusies van samengroei en samenleven zelfs onder de wapenen laten roepen.

Tegen de achtergrond van dergelijke vragen moet mijns inziens het echte raadsel van onze negende november als volgt worden geformuleerd: wat is het toch, dat mensen in zulke enorme aantallen, waarop de moderne nationale staten kunnen bogen, in een gemeenschappelijk project, in een gemeenschappelijke geschiedenis, in een gemeenschappelijke illusie bijeenhoudt, terwijl het tegelijkertijd vaststaat dat deze reusachtige sociale lichamen hoe dan ook door elementaire antithesen en door onverenigbare hartstochten gespleten zijn - voornamelijk om de bovengenoemde, onoverkomelijke, dramaturgische reden dat er op geen enkel moment een algemene consensus te bereiken is over de datum waarop de revolutie, de romance van de burgers met de vrijheid - misschien zou men ook kunnen zeggen de affaire van de arme duivels met het geluk - afgesloten moet worden.

Ik vraag dus naar de dwingende reden om samen te zijn - ik vraag naar het motief en het medium van de samenhang tussen mensen in de reusachtige politieke conglomeraten van onze tijd, naar de ether van de gemeenschappelijkheid waarin de dromen, de ressentimenten, de trauma's en de verwachtingen van miljoenen zich voortbewegen; ik vraag dus, om sociologische en academische uitdrukkingen te gebruiken, naar het beginsel van de sociale en politieke synthese in de moderne grootschalige samenlevingen. En ik zal deze vraag zo dadelijk in dubbele zin beantwoorden, of althans een poging daartoe wagen, in media-, theoretische en in psychopathologische zin, zoals het deze zaak betaamt.

Ik mag voor het volgende toch wel dit vooropstellen: de interne spanningen van nationale staten en nationale imperiums, die voortdurend de revolutionaire geesten moeten intomen die ze zelf in het leven hebben geroepen, leiden noodzakelijk tot uiterst verhitte, hysterische en aan paniek grenzende communicatieve verhoudingen, die als enige in staat zijn van een altijd al gespleten nationaal conglomeraat een schijneenheid te maken. De simpelste waarneming geeft hierop al het meest definitieve antwoord. Enkel met behulp van permanente agitatie, van dag tot dag, kunnen de moderne, kolossale politieke con-glomeraten van het type 'nationale staat' langs de weg van de telecommunicatie worden geïntegreerd.

Zoals de Romeinse keizers het hoofdstedelijk gepeupel alleen in bedwang konden houden met behulp van de tegelijk kalmerende en opzwepende benadering die sinds Juvenalis met de formule 'brood en spelen' wordt aangeduid, zo hebben de moderne nationale imperia hun onverschillige en overprikkelde populaties slechts in zoverre in de hand als het hun lukt ze van pensioenen en opwinding te voorzien - en desnoods zelfs, zoals actuele ontwikkelingen ons leren, van opwinding over pensioenen.

Deze politieke volmacht voor de chronische, agiterende, hysterisch makende massacommunicatie vormt de bedrijfsmatige grondslag voor de moderne nationale journalistiek, die vanaf het begin van de negentiende eeuw tot op de dag van vandaag als producent fungeert van eenheid scheppende hysterie en integrerende paniek. Hegel had dus groot gelijk toen hij het lezen van de krant als het ochtendgebed van de burgerlijke samenleving bestempelde; hij heeft alleen vergeten eraan toe te voegen dat dit soort gebeden de ziel niet aan het bovenzinnelijke bindt maar aan het hier en nu, en dat een dergelijke lectuur de geïsoleerde individuen aan hun ontbijttafels niet sticht, maar ze conformeert aan de van geweld zwangere rusteloosheid van de publieke circulatie van rendement en sensatie.

De moderne massamedia produceren aan de lopende band nationale populaties en nationale imperia, precies in die mate waarin het hun lukt deze politieke massa-conglomeraten als thematische, op opwinding gerichte gemeenschappen in het leven te roepen. De uitdrukking 'in het leven roepen' is in dit geval geen retorische frase, maar een handzame, analytische term die in elk opzicht nauwkeurig aan de verwachtingen beantwoordt. Inderdaad dragen de constituerende communicatieprocessen van de moderne nationale samenlevingen automatisch al het karakter van zichzelf bevestigende appèls - en wanneer de natie zichzelf niet in het leven roept, komt zij ook nooit tot stand.

Niet bekend

Ik sta mezelf toe de opwekker van het volk en verwekker van de natie Fichte op deze plaats voor een ogenblik te onderbreken om er zeker van te zijn dat we ten aanzien van het zojuist gehoorde dezelfde nuttige associaties ontwikkelen: want het ligt voor de hand en het lijdt geen twijfel dat we hier de oertekst van alle Duitse eenwordings-toespraken voor ons hebben. Fichte heeft het oorspronkelijke inzicht in het wezen van moderne nationale communicatie klassiek geformuleerd: volkeren komen niet zomaar voor, zoals kiezelstenen in een beek en sterren aan de hemel voorkomen, want hogere subjectieve organismen zijn niet onmiddellijk aan zichzelf gegeven - alleen het luie bestaan en het gemakkelijke zo-zijn hebben zichzelf altijd al in bezit. Hier geldt eerder dat ze zich tot zichzelf moeten opwerken, om er pas daarna werkelijk te zijn en met reële energie iets reëels en op de toekomst gerichts aan te vangen.

Vrijheid is inspannend, wie zal het loochenen, en wat zou een natie zijn als ze geen verenigd, uit inspanningen geboren lichaam was. Na dit intermezzo terug naar Fichtes rede van 1808: “Het hangt van u af of u het einde wilt zijn... of dat u het begin wilt zijn... Wel worden regen en dauw, en onvruchtbare en vruchtbare jaren, bepaald door een ons onbekende en niet van ons afhankelijke macht; maar de geheel eigen tijd van de mens, de menselijke verhoudingen worden alleen door de mensen zelf gemaakt en niet door een zich buiten hen bevindende macht... nooit zal ons meer welzijn deelachtig worden als we het ons niet zelf verschaffen... Dat is wat u te doen staat: dit zonder dralen te verrichten, bezweren u deze toespraken...

Dat bezweren ze u jongelingen... Dat bezweren ze u ouden... Dat bezweren ze u zakenlieden... Dat bezweren ze u denkers, geleerden, schrijvers... die deze naam nog waardig bent... leer uzelf respecteren, en toon in uw handelen dat u het doet... Dat bezweren ze u vorsten van Duitsland... Dat bezweren ze u Duitsers allen tezamen, welke plaats u in de maatschappij ook moge innemen...'

Mag ik dit citaat nog eenmaal kort onderbreken om erop te wijzen dat ik hier uit Fichtes toespraken tot de afzonderlijke groepen van de natie natuurlijk alleen de bezweringsformules zelf heb behouden, omdat het voor onze context nagenoeg onverschillig is wat die groepen wordt toegeroepen - het is het actuele appèl zelf, dat hier als zodanig de boodschap is.

Maar het kan er natuurlijk niet bij blijven dat de redenaar zich alleen op de golven van zijn eigen geestdrift tot het nationale geheel wendt. Opdat de Duitse weerklank-politicus zich juist inzette, moeten ook stemmen uit het hiernamaals zich mengen in de Berlijnse rede van toen. Pas met de interventie van gene zijde gaat het idealistische evocatie-apparaat volledig functioneren; want alleen als de doden duidelijk tot de levenden spreken en als het hiernamaals aan het hier en nu het mandaat geeft voor een verheven en bevlogen bestaan, kan de natie zich als een van opwinding trillend lichaam in een voor haarzelf geloofwaardige vorm constitueren.

Hoort u nu hoe Fichtes stem in het nu volgende overslaat, hoe ze zich verveelvoudigt, hoe de redenaar van eenzame tenor in een geestenkoor verandert, hoe hij zich als hoogmoedig hystericus in de afgrond stort die zich in zijn eigen stem opent, opdat het appèl uit het absolute de oren van de aarzelende, verspreide enkelingen moge openbreken en hen tot een saamhorig geheel samensmeden. Hoor hoe de manische koren uit het geestenrijk de besluiteloze, nog niet bestaande natie aanroepen, opdat deze zich als empirisch, sonoor organisme moge constitueren: “Met deze toespraken”, zegt Fichte, “verenigen zich uw voorouders, en zij bezweren u. Bedenk dat zich in mijn stem de stemmen mengen van uw voorvaderen uit de grijze oertijd, die zich met hun lichamen schrap hebben gezet tegen de aanzwellende Romeinse wereldheerschappij... Zij roepen u toe: vertegenwoordig ons...

Ook mengen zich in deze stemmen de geesten van uw latere voorvaderen, die vielen in de heilige strijd voor godsdienst- en geloofsvrijheid. Red ook onze eer, roepen ze u toe... En uw nog ongeboren nakomelingen bezweren u... zorg dat bij u de keten niet afbreekt: maak dat ook wij ons op u kunnen beroemen...

Zelfs het buitenland bezweert u, voorzover het althans zichzelf begrijpt en nog oog heeft voor zijn ware heil... de hele nieuwere mensheid rekent op u...

Alle tijdperken, alle wijze en goede mensen die ooit op deze aarde geademd hebben... mengen zich in deze stemmen en omringen u en heffen smekende handen naar u op...''

Men kan in deze wat eigenzinnig, misschien wat boosaardig ingekorte Berlijnse rede van 1808 het geheim van moderne nationale samenlevingen in welhaast schrikwekkende duidelijkheid zien uitgesproken, want door Fichtes lucide retorische praktijk wordt eens en voor al geopenbaard hoe de natie alleen maar in het leven kan worden geroepen: ze moet tot zichzelf komen als een empirisch koor dat door een transcendent koor wordt uitgedaagd. In de praktijk uitte zich dit als de verhouding van de receptieve natie tot haar klassieken.

Maar men hoeft na dit alles maar een adempauze in te lassen om voor het heden, de tijd zonder klassieken, de juiste conclusies te trekken; men hoeft maar voor een moment de ramen te openen om de idealistische walm te laten wegtrekken, en meteen zien we dat we hier bijna zonder enige codering theorie en praktijk van de moderne nationale communicatie voorgeschoteld krijgen - de theorie, inzoverre Fichte de natie als een soort manische heteluchtballon heeft geconstrueerd die door de verenigde inspanning van een aantal vrijwilligers de zwaartekracht overwint en de lucht ingaat; de praktijk, inzoverre Fichte zelf in actu laat zien hoe het fantastische akoestische nationale lichaam zichzelf opwindt, namelijk door een redevoering in de vorm van de categorische 'appellatief', die tegelijk fascineert, evoceert, motiveert, provoceert en mobiliseert.

We hoeven alleen maar enkele ouderwetse trekken weg te strepen: we dempen het idealistische plichten-pathos en corrigeren het door actuele uitingen van zorg, we vervangen de achterhaalde vorm van de toespraak in een zaal door moderne persconferenties en radioprogramma's, de canon van klassieken door de veertig tv-kanalen, we veranderen de verhoudingen tussen high en low en vullen de opruiende signalen aan met complementaire ontspanningen en geruststellingen - en reeds komt ons onderzoek naar de dwingende reden van nationaal samenzijn tot een sluitend en langdurig houdbaar resultaat.

De natie is een hysterisch en panisch informatiesysteem dat zichzelf voortdurend moet opwinden, terroriseren en in paniek brengen om zichzelf te imponeren en om zich, als een in stress gevangen gemeenschap, ervan te overtuigen dat ze werkelijk bestaat. Is zulk een nationaal informatiesysteem eenmaal voldoende uitgebouwd - kan de meerderheid eenmaal lezen, schrijven en zichzelf irriteren -, dan is de natie in staat zich van dag tot dag als zelfscheppende eenheid zinnelijk concreet en toch ook spookachtig abstract te beleven en zich er steeds opnieuw van te overtuigen dat ze een voldoende dwingende reden voor haar bestaan en haar coherentie bezit.

Wat leveren al deze overwegingen op voor onze vraag naar de dwingende reden om samen te zijn? We zijn nu, denk ik, in elk geval zo ver te kunnen zeggen dat moderne naties niet zijn wat traditionele historici voorgeven dat ze zijn, namelijk historisch gefundeerde en te herleiden gemeenschappen; ze zijn veeleer, en fundamenteel, psychopolitieke, op suggestie gebouwde lichamen die het karakter van kunstmatige stress-gemeenschappen hebben. Ze zijn derhalve van radicaal zelfgemaakte aard, want ze bestaan alleen in de mate waarin ze zichzelf opwinden, en ze winden zich alleen op in de mate waarin ze zichzelf hun bestaansreden in machtige fictieve verhalen en autosuggestieve berichten vol stress inprenten.

Maar, zo zal men tegenwrpen, wat komt er, tegenover deze onbarmhartig koele bevindingen, terecht van de motieven waaraan de verouderde definities van nationaliteit hun geloofwaardigheid hebben ontleend? Wat komt er terecht van de natie als cultuur- en taalgemeenschap, en wat van haar als drager van een ver reikende verwantschapsfictie? Wat wordt er van de natie als werk-, strijd- en lotsgemeenschap, die onze oude en nieuwe conservatieven zo dierbaar is en door hen zo bedenkelijk makkelijk wordt beleden? Liggen hier op het vlak van de talen, van de voortplantingen, van de beroepsactiviteiten dan niet nog steeds de wezenlijke en onvervangbare bronnen van alle nationale verschijnselen?

Vinden we niet hier, in deze als het ware materiële substraten van de nationale stofwisseling, redenen voor het samenzijn, veel massiever en solider dan alle virtualiteiten en hysterieën die we tot nu toe als nationale fundamenten hebben blootgelegd? Treffen we hier geen diepere werkelijkheden aan, die zich verzetten tegen de herleiding tot hysterische massauitingen en telecommunicatieve stressbeelden?

Ook de triade arbeid, taal en voortplanting verandert in het postmoderne nationale proces. Voor de cultuurwetenschapper staat buiten kijf dat op deze drie gebieden de primaire processen plaatsvinden waaruit alle historische collectieven zijn voortgekomen, lang voordat de media- en geldrevolutie van de moderne tijd de volkeren tot bevolkingen maakte en de stamculturen en monarchieën tot door geld beheerste nationale samenlevingen.

mailIcon print |