*

 
dossier

Archief

Winnen is toefje room op de taart

JOHAN WOLDENDORP − 25/01/96, 00:00

UTRECHT - Voorzitter Herman Wijffels van de hoofddirectie van de Rabobank keek zijn ogen uit. De presentatie van de gelijknamige professionele wielerploeg bracht een hoeveelheid journalisten op de been, die hij nog nooit in het hoofdkantoor over de vloer had gehad.

“Het zou voor U interessant zijn een keer de persconferentie van de jaarcijfers bij te wonen,” sprak een directielid later in de wandelgangen. “Dan ziet U hooguit twintig collega's, waarbij inbegrepen een pluk van het Financieele Dagblad.” Wijffels kon, zo zei hij, een half jaar geleden ook niet bevroeden dat hij eind januari een hele verhandeling over de doelstelling van de sponsoring van een wielerplan - profploeg, amateurselectie, jeugdopleiding en allerlei onder auspiciën van de KNWU staande activiteiten - zou houden. “De vraag of we een profwielerploeg wilden sponsoren was ons al een keer gesteld. Medio 1995 kwam Raas nog een keer. Het antwoord was opnieuw vrij snel nee. Maar misschien valt er te praten als we er de de ontwikkeling van de wielersport in Nederland als dimensie aan toevoegen.” Zo'n genereuze tegenzet had Raas weer niet verwacht toen hij om drie, vier miljoen gulden kwam 'bedelen'. “Ik was op zoek naar een sponsor in die orde van grootte. Daarmee zou ik dan een ploeg met jonge renners en enkele routiniers kunnen formeren. Maar het werd me heel snel duidelijk dat ze hier iets anders wilden.”

Voor Nederlandse begrippen is Rabo een unieke geldschieter. De bank is de eerste die drie tot vijf miljoen in het van de grond tillen van een in verval geraakte sport stopt. De beslissing werd in een al even opmerkelijke tijdspanne genomen. Normaal gaan er maanden van overleg met deze en gene overheen voordat tot zo'n investering wordt besloten. Een 'vragenrondje' langs niet meer dan 135 vertegenwoordigers van lokale vestigingen werd als draagvlak voldoende geacht om de zaak te beklinken. De 550 rayonhoofden lazen het nieuws bij wijze van spreken in de krant.

Voor Raas zelf kwam het project als mannah uit de hemel vallen. Na meer dan tien jaar als een opgejaagd hert achter het stuur van de ploegleidersauto te hebben gezeten, ambieerde hij een meer afstandelijke functie in de wielersport. Manager zijn van een groots wielerplan, met het accent op de jeugdopleiding; hij vindt dat hij er geknipt voor is. Raas verheelt niet dat het jachtige bestaan hem begon op te breken. “Al dat reizen en trekken werd me teveel. Ik wilde al een tijdje iets anders. Huiselijke omstandigheden hebben er mee te maken, maar er dreigt ook een generatiekloof te ontstaan. Ik ben 43 en zou als ploegleider met jongens van 21 te maken krijgen.”

Net als Peter Post in zijn nadagen als ploegleider zal de Zeeuw in de grote klassiekers en de Tour de France zijn gezicht laten zien. En ook op het trainingskamp in Toscane is de grote leider enkele dagen lijfelijk aanwezig. Maar het echte veldwerk laat hij over aan Theo de Rooy en diens assistent Adri van Houwelingen; twee oud-coureurs die onlangs het diploma wielrentrainer van de KNWU behaalden. De Rooy had in de ploeg Post al ervaring in het metier opgedaan. Toen de Amstelvener vorig jaar bot ving bij KPN als potentiële hoofdsponsor, aanvaardde De Rooy een benoeming tot marketingmanager bij een fabriek in fietsonderdelen. Hij zat nog in zijn proeftijd toen Raas zijn grote vis op de wal trok en de markt afstruinde naar renners en begeleiders. De gentleman onder - vroeger - de renners en - nu - de ploegleiders had geen bedenktijd nodig. Hij spreekt in termen van “mijn lust en mijn leven” en “een mooie uitdaging”.

De Holtenaar kan bovendien redelijk in de luwte aan het uitbouwen van een wat onevenwichtig samengestelde ploeg beginnen. Toen de Rabobank er insprong, waren de beste renners al onderdak. Raas hoopt op nog een paar goede jaren bij Breukink, een jaar onder ongelukken van brekebeen Bruyneel, een opleving bij Sörensen en een hoger rendement dan het winnen van de Brabantse Pijl bij Edwig van Hooydonck. De laatste gaat een beperkter programma rijden, overeenkomend met zijn grillige actieradius. De routiniers moeten het voortouw nemen. Van de jonge garde - zes neo-profs op negentien coureurs - wordt begrijpelijkerwijs weinig verwacht. Ook niet van amateurwereldkampioen Danny Nelissen, die van de complete tableau de la troupe wellicht de zwaarste hypotheek op zijn schouders draagt. In zijn hart had De Rooy gewild dat de Limburger in december niet een paar keer tot wielrenner en eenmaal zelfs tot sportman van 1995 was uitgeroepen. “Ik was er niet altijd even gelukkig mee dat hij van hot naar her werd gesleept voor al die huldigingen. Maar ik ben niet bang dat hij ten onder gaat aan een te hoog verwachtingenpatroon. Hij heeft voldoende groene zeep op zijn lichaam.” Nelissen zelf predikt rust rond zijn persoon. Hij had een goed jaar gehad, “maar het was wel een verloren profjaar”. Doelend op de gedwongen terugkeer naar de liefhebbers, nadat TVM hem vanwege vermeende hartritmestoornissen niet langer in de ploeg wilde hebben en in december 1994 een overgang naar het Belgische Collstrop blokkeerde: “Ik moet niet stil blijven staan bij de negatieve kanten.”

Directievoorzitter Wijffels rekent niet op wonderen in het seizoen 1996. “We zijn tevreden als we er regelmatig bijzitten. Winnen is het toefje room op de taartpunt.” Om de ploeg niet over de kling te jagen, staat van de grote rondes alleen de Tour de France op het programma. De Rooy: “Het is niet goed voor de ontwikkeling van een beginnende renner wanneer hij elke dag op twintig minuten wordt gereden. Hij leert meer in kleine etappewedstrijden en de open koersen waarin hij vroeger al uitkwam; ritten van 180 kilometer in het middengebergte.” Uitgesproken winnaarstypes heeft De Rooy niet in de gelederen - op de weg althans. De Australiër McEwen stapt door het leven als sprinter, maar een ander waarde-oordeel kan de directeur sportief op dit moment niet over hem geven. Even is er in de leiding gesproken over Jean-Paul van Poppel, maar Raas heeft persoonlijke motieven om de werkzoekende, inmiddels als assistent-ploegleider van een amateurformatie aan de slag gaande routinier niet aan zich te verplichten. De Rooy: “Een sprinter is vooral handig in de Spaanse en Franse voorjaarskoersen; het geeft rust in de tent.”

mailIcon print |