*

 
dossier

Archief

Michel Minnig droomt zelfs over Peruaanse gijzelaars

TJABEL DALING − 28/01/97, 00:00

LIMA - “Hij was de enige persoon bij wie we met al onze problemen terecht konden”, zegt ex-gijzelaar en Peruaans diplomaat Jose Calle. “Onze beschermengel”, voegt Javier Diez Canseco toe, Peruaans parlementslid en tevens voormalig gijzelaar. “Hij is geobsedeerd door het lot van de gijzelaars”, meent zijn collega Cecile Baux. Zelf zegt Michel Minnig, hoofd van het internationale Rode Kruis in Peru: “Ik droom vaak over de gijzelaars. Die dromen zijn een uiting van mijn geestelijke gesteldheid.”

Minnig had de kerstvakantie door willen brengen in de Peruaanse Amazone. Een uitnodiging voor een feestje bij de Japanse ambassadeur stuurde zijn plannen in de war, maakte hem wereldberoemd èn tot Peruaans volksheld.

Kort na de inval van zo'n twintig guerrillastrijders van Tupac Amaru, temidden van de onbeschrijvelijke chaos, paniek, wolken van traangas, huilende vrouwen en kinderen, stapte Minnig naar voren en riep: “Ik ben van het Rode Kruis.”

Vanaf dat moment was de 44-jarige Zwitser de vertrouwensman van gevangenen en terroristen. Zijn beheerste optreden zorgde ervoor dat in de eerste uren van de gijzeling de enorme spanning onder de honderden aanwezigen in de ambassadeurswoning verminderde en dat snel alle vrouwen en kinderen vrij kwamen. Minnig is na 39 dagen gijzeling nog steeds de onbetwiste autoriteit in de residentie, al staan de statuten van het Rode Kruis die officiële bemiddelingsrol niet toe. Minnig en zijn medewerkers regelen praktische zaken, proberen de dialoog tussen de regering en de MRTA-bezetters te vergemakkelijken en houden zich bezig met alle humanitaire aspecten van het gijzelingsdrama.

De ene keer zien we Minnig gefotografeerd met de handen omhoog, de witte vlag van het Rode Kruis in zijn rechterhand. Dan weer loopt de man met de gereserveerde glimlach een grote megafoon, of duwt hij een wagentje met flessen water naar de residentie. “Hij heeft de perfecte eigenschappen voor een bemiddelaar”, zegt Cecile Baux “een goed gevoel voor humor, kalm en stabiel, en hij wekt vertrouwen bij alle partijen. Voor ons is hij een uitstekende teamleider.”

Hij studeerde geschiedenis en politieke wetenschappen aan de universiteiten van Genève en Lausanne. Zijn ouders stierven toen Michel twintig jaar oud was. Als taxichauffeur financierde hij zijn studie. Een blauwe maandag werkte hij bij een bibliotheek en was hij freelance journalist. Hij schreef een literatuurstudie over het onderwerp 'utopie en contra-utopie' en heeft veel gelezen over revolutionaire bewegingen in Latijns Amerika.

Michel wilde altijd iets met zijn handen doen, daarom bouwde hij in de Zwitserse Alpen zijn eigen chalet. “Zwitserland staat niet alleen bekend om zijn chocola en horloges, maar ook om het Rode Kruis. Het is dus niet vreemd dat je bij zo'n organisatie betrokken raakt”, zegt hij ietwat gekscherend. Serieuzer: “Als kind wilde ik al reizen. Het Rode Kruis was voor mij reizen op een andere manier.”

Minnig specialiseerde zich in India en de Verenigde Staten in studies over Aziatische geschiedenis en cultuur en wierp zich in Mexico op de pre-koloniale geschiedenis. Ervaringen die hem in Peru te pas komen, maar volgens hemzelf is het toch vooral de ethiek en de werkwijze van het Rode Kruis die hem heeft gevormd. De afgelopen jaren werkte hij in alle mogelijke oorlogslanden: Irak, Nigaracua, Libanon, Soedan, Rwanda, Burundi, Bosnië en Azerbeidzjan. En daar liet het Rode Kruis het principe van neutraliteit gelden, volgens Minnig 'de beste manier' om mensen te kunnen helpen.

In 1994 schreef de Zwitser in de Franse taal een psychologische en politieke roman die helaas nooit is gepubliceerd. De hoofdpersoon is een Kafka-achtige figuurdie voor het avontuur kiest en door de chaotische en gewelddadige wereld trekt. Ongetwijfeld heeft de vertrouwensman van gijzelaars en terroristen zich in dat verhaal laten inspireren door zijn eigen achtergrond en Rode Kruis-ervaringen.

Het Rode Kruis wil neutraal en onpartijdig zijn. Maar wat zijn die MRTA-strijders nou, terroristen of guerrillastrijders? Minnig neemt geen van beide woorden in de mond, maar wat hij zegt is gebaseerd op artikel 3 van de Geneefse conventie van 1949, die het in gijzeling nemen van mensen 'een handeling van terrorisme noemt'.

mailIcon print |