Van een onzer verslaggevers GOUDA - “Weinig gebouwen in mijn leven keken ooit zo intens naar mij als het Goudse stadhuis”, heeft Leo Vroman geschreven.
Het nu van de steigers en groen gaasverband ontdane raadhuis - hechtingen die vorig jaar op een ernstige operatie wezen - bevestigt hoe raak de waarneming is van de in Gouda geboren dichter. Vanuit de vensters met de frisse roodwitte luiken kijkt het ranke gebouw weer indringend naar de bezoekers op het marktplein.
Begin jaren negentig vielen de stukken er vanaf. In november 1993 moesten zelfs de pinakels, de siertorentjes, uit voorzorg van het dak worden gehaald. Het levensbedreigende verval van het enige Nederlandse stadhuis dat door de Japanners is nagebouwd in Holland Village, drong vorig jaar pas goed tot het kabinet door. Gouda was in arren moede in 1995 op eigen kracht begonnen met het herstel.
Glorie
De Gouwenaars vonden unaniem dat hun raadhuis, waarin vijf eeuwen is bestuurd én gehuwd, zijn glorie moest herkrijgen. Particulieren brachten zestigduizend gulden bij elkaar, bedrijven eenzelfde bedrag, maar de op 3,2 miljoen gulden getaxeerde restauratie was natuurlijk onmogelijk zonder steun van het rijk. Staatssecretaris van cultuur Aad Nuis zag dat in, en op 1 juli 1996 kwam hij spoorslags naar de stad en legde symbolisch twee miljoen op tafel: de rijkssubsidie die burgemeester Jan Hein Boone dankbaar aangreep. Vandaag heropent koningin Beatrix het tussen 1448 en 1459 in gothische stijl opgetrokken stadhuis.
Dat gothische zat Gouda in de zeventiende eeuw nogal dwars. Het was ouderwets en dat werd van 1692 tot 1695 weggerestaureerd voor de in zwang gekomen nieuwe renaissance-stijl. Het zou tot 1876 duren voordat de voorgevel in de steigers ging voor een opknapbeurt. Pas na de Tweede Wereldoorlog, in 1946, begon de vervanging van de uit beukenstammen bestaande laat-middeleeuwse fundering. Ook werden exterieur en interieur in die jaren grondig aangepakt.
Bij de huidige restauratie en schoonmaakbeurt van gevels, leien dak, pinakels, hoofdtoren met eikenhouten klokkenstoel en ballustrade, èn twee zogeheten arkeltorens, was het erop of eronder. Een levensreddende ingreep, zo maakt Kees Bastianen, bedrijfsleider van Bouwbedrijf Hulshof duidelijk. “Toen we de steiger hadden opgetrokken en we erbij stonden, zagen we pas goed hoe ver het verval was gevorderd. De pinakels van natuursteen waren dermate aangetast door weersinvloeden, dat de brokstukken eraf begonnen te vallen. Ze moesten door nieuwe worden vervangen. De 44 000 leien van het dak zijn voor controle allemaal verwijderd. Aan één kant is het dak compleet vernieuwd met uit Wales aangevoerde leien, aan de andere kant zijn er na selectie nog ongeveer 22 000 in goede staat verkerende leien op gelegd.” Er werd 22 kubieke meter nieuwe natuursteen gebruikt. En voor het herstel van voegwerk in de gevels was drieduizend kilo voegmortel nodig.
Bastianen vond het een onaangename verrassing dat de dakgoten niet van natuursteen bleken te zijn, maar van beton. Dit voor een gothisch bouwwerk opmerkelijke materiaal was bij de vorige restauratie, begin jaren vijftig, aangebracht. Tot die tijd waren de goten van hout, nog daterend uit de zeventiende eeuw. Het direct na de Tweede Wereldoorlog goedkopere beton, bleek nu deels te zijn aangetast door betonrot. Voor de nieuwe goten is natuursteen, zogeheten Italiaanse perterino, toegepast. “In de jaren vijftig is ook de fout gemaakt ijzer voor ankerwerk te gebruiken, dat in de jaren daarna is gaan roesten. We hebben dit vervangen door roestvrij staal of bronskoper.”
Vooral het tot 1860 nog gebruikte schavot aan de achterzijde was sterk doorgeroest: de ijzeren bestanddelen in het zandsteen waren zover heen, dat tot algehele vernieuwing werd overgegaan. De restauratie, waaraan dagelijks acht tot tien ambachtsmensen werkten, heeft ruim een jaar geduurd, van september 1995 tot en met december vorig jaar. “Een mooi stuk werk, we zijn er trots op.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.