*

 
dossier

Archief

Het afkickmengsel van Tham Krabok

ESTHER BOOTSMA − 16/02/94, 00:00

SARABURI - Een zwaar zieke jongen in het zwart (drugs en alcohol) sleept zich voort tussen twee jongens in het rood (alleen drugs). Vlak voor drie reusachtige goudkleurige boeddhabeelden zakt hij kokhalzend in elkaar. Moeders en kinderen kijken er onbewogen naar. Ze zijn dit tafereel gewend, in het befaamde Thaise afkickklooster Tham Krabok.

Hun echtgenoten, vaders, zonen en zussen verblijven er immers ook. Dertig dagen minimaal, waarvan de eerste vijf een ware beproeving. De verslaafden krijgen dan elke ochtend om zeven uur een geheimzinnig kruidenmengsel te drinken, waarna ze emmers vol water moeten leegslurpen. Dan begint het kotsen: een onsmakelijk, maar fascinerend gezicht. Het water wordt met ongelooflijke kracht door hun maag en slokdarm naar buiten gestuwd, vaak tot drie meter ver. Het lijkt wel alsof er tientallen liters tegelijk uitkomen.

Deze ontgifting put de overgevende mannen en vrouwen zo uit dat ze tijdens het overgeven door boeddhistische monniken of andere patienten op de been moeten worden gehouden. De rest van de dag liggen ze slap op een matras. Een herkenbaar beeld voor verslaafden die in het westen proberen af te kicken, alleen worden hier de lichamelijke bijverschijnselen door het kruidenmiddel tot een minimum beperkt. Geen cold turkey, geen rillingen, geen ongecontroleerde schokken.

En dus is het succespercentage groot: het klooster beroemt zich erop dat zeventig procent van zijn patienten van de drugs af raakt. Vandaar dat ook westerse verslaafden op Tham Krabok afkomen: vooral Nederlanders, Amerikanen, Duitsers, Tsjechen en Roemenen. Buitenlanders vormen samen een kwart van de patienten, driekwart komt uit Thailand zelf.

We worden onmiddellijk betrapt, als we het terrein van het klooster op lopen, na een korte voettocht door de grillige karstbergen in de buurt van Saraburi, 150 kilometer ten noordoosten van de Thaise hoofdstad, Bangkok. “Jullie zijn Hollanders”, roept een tanige zwarte Amerikaan die met ontbloot bovenlijf badhokjes staat schoon te spuiten. Het is Phra Gordon, een exsoldaat die onder meer in Vietnam vocht en twaalf jaar geleden een boeddhistische monnik werd in Tham Krabok. Hij wenkt ons en zegt meteen lachend: “Methadon, de ergste drug die er bestaat.”

Hij kent het Nederlandse beleid om verslaafden methadon te verstrekken. Vertelt dat ze deze mensen in het klooster het moeilijkst kunnen helpen. “Ze hebben bijvoorbeeld een bijverschijnsel waartegen we geen kruid kunnen vinden. Ze openen hun mond om iets te zeggen, maar kunnen geen geluid uitbrengen.” Methadon-verslaafden moeten een langere kuur volgen, van 45 dagen, en het afkickpercentage is “maar zestig”.

Het klooster verstrekt geen gegevens over patienten, maar na enig aandringen wil Gordon wel vertellen hoeveel Nederlanders er ongeveer afkicken. “De laatste zes maanden hadden we er 28”, beweert hij. “Een Nederlands meisje is er na drie dagen gestorven, doordat haar lever niet meer functioneerde.”

Hoe de Nederlanders er precies terechtkomen, houdt Gordon in het vage. Ook het Jellinekcentrum in Amsterdam blijkt bij navraag daar niets over te weten. Toch is het niet zo dat westerlingen zomaar binnenlopen. Ze maken een afspraak, aldus Gordon, ze moeten 'een donatie' van 300 gulden doen en worden van het vliegveld in Bangkok opgehaald, zoals een Frans meisje dat over twee dagen komt. Ze zal het klooster aantreffen zoals wij: een chaotisch terrein met veel enorme boeddhabeelden en overal activiteiten in de buitenlucht. Er wordt gebouwd, eten gekookt, een kar geduwd, met machines gewerkt, muziek (John Lennon) gemaakt.

- Vervolg op pagina 5

Rode kleren is drugs, zwart is drank Een borrelglaasje per dag van 't bittere

kruid

VERVOLG VAN PAGINA 1

Er zijn drie compounds voor de verslaafden, zo'n 430 per maand. De afdelingen zijn met ijzeren hekken afgeschermd: bezoekers kunnen er doorheen loeren om de verslaafden te zien rondhangen, zitten of slapen op een bankje.

Aids-status

Aan de kleur van hun kleding kun je zien waaraan ze verslaafd zijn. Rode broeken en jasjes voor de drugverslaafden, zwarte voor degenen die ook alcohol gebruiken. En blauwe kleding voor de enkele aids-patienten. Over hen doet Gordon geheimzinnig, omdat het klooster geen status als aids-kliniek heeft. “We proberen hen een mentale wegversperring te laten bouwen om de ziekte te lijf te gaan. Misschien leven ze daardoor langer, misschien genezen ze erdoor”, lacht hij samenzweerderig.

De sfeer is mysterieus. Onder de bomen naast de ingang staan tafels met flessen, potjes met bruine, groene en rode vloeistoffen, mengbekers en trechters. Het smoezelige rommeltje heeft veel weg van de inhoud van een heksenkelder in een sprookjesboek. Maar er gebeurt niets: de flessen staan alleen maar nog smeriger te worden.

Het grote wondermiddel wordt achterin het klooster gebrouwen, aan de voet van de berg. Onder een afdak staat een anderhalve meter hoge pot te koken, vol kruiden. Of we een slokje willen? Het bruine goedje smaakt vies bitter, maar goed, de verslaafden hoeven maar een borrelglaasje per dag te nemen.

Na die eerste vijf dagen worden ze onderworpen aan een strenge training van het lichaam en de geest. In groepjes van tien worden ze bij een monnik ingedeeld, en houden ze dagelijkse sessies. Zo moeten ze bij aanvang van de kuur een soort eed afleggen. Uitspraken als 'ik wil nooit meer drugs gebruiken' worden op rijstpapier geschreven, dat ze vervolgens moeten opeten. “We werken ook met braintapes”, zegt Gordon over de cassettebandjes met geluiden en teksten die de hersenen moeten beinvloeden. Verder wil hij er weinig over kwijt.

De monniken bepalen zelf hun eigen trainingsprogramma. Velen van hen zijn in Tham Krabok gekomen omdat ze zelf ooit verslaafd waren. Als ze anderen kunnen helpen, niet gewelddadig zijn en hard willen werken, worden ze uitgenodigd om te blijven.

Nieuwe patienten worden ingedeeld bij monniken die bijvoorbeeld aan hetzelfde middel verslaafd waren, of dezelfde religie hadden voor ze tot het boeddhisme overgingen. Er zijn er zo'n driehonderd in het klooster, gehuld in bruine doeken, de meesten nog jong. Met zijn 43 jaar is Gordon de oudste monnik.

Huurling

Hij zegt dat hij zelf niet verslaafd was toen hij twaalf jaar geleden in Tham Krabok aankwam. Na jaren als huurling te hebben rondgezworven, meende Gordon hier rust te kunnen vinden. Moet vreemd zijn, met een verleden waarin hij veel Aziaten heeft gedood. “Ja”, peinst hij. “Het maakt veel verschil of je levens neemt of levens probeert terug te geven.”

Naar de Verenigde Staten wil hij nooit meer terug. Hij kan dat ook niet, want een monnik in bruine kleding mag niet in een auto of een vliegtuig. Als Gordon naar Bangkok wil, moet hij drie dagen lopen. “Dit is mijn thuis. Als iemand in vrede is, kan hij overal leven. Iedereen kan zich aanpassen. Een man heeft niet een vrouw nodig om te leven, hij heeft geen geld nodig. Die dingen worden hem door de maatschappij opgedrongen.” Sigaretten, die heeft Gordon echter nog wel nodig. Hij rookt de ene na de andere peuk van Thaise makelij. “Ik drink geen alcohol, ik eet maar een vegetarische maaltijd per dag. Daarom wil ik me dit pleziertje niet ontzeggen.”

Het is tijd voor het dagelijkse kruidenstoombad. Het hek van een compound gaat open en een lange rij verslaafden, gehuld in geblokte baddoeken, begeven zich naar de hokjes waarin hun lichaam gereinigd wordt met citroengras en andere kruiden. De patienten, overwegend jonge mensen, mogen niet bevriend met elkaar raken, zo is de filosofie van het klooster. Ze slapen elke nacht in een andere zaal, tussen andere mensen. 's Ochtends nemen ze hun matras op om te verhuizen. “We breken ze volledig af, tot ze niets meer waard zijn. Van daaruit moeten ze aan hun geest en lichaam gaan werken, en ze mogen daarbij niet afgeleid worden door vrienden. Dertig dagen zijn ze een robot, wij besturen de knuppel.”

Het is hard werken voor de verslaafden. Meteen na de vijf dagen overgeven, moeten ze urenlang aan de slag. Vanuit een grote silo gooien ze gedroogde maiskolven in een machine, die deze tot poeder vermaalt. Het zweet gutst over hun voorhoofd, en wordt opgevangen in de doeken die ze voor hun neus en mond hebben geknoopt om het stof tegen te houden.

De 27-jarige Bee Adhinya Capus is het afkickprogramma goed bevallen, behalve de eerste vijf dagen. “Mijn hele lichaam deed vreselijk pijn.” Ze komt uit Bangkok, waar ze op haar negentiende aan de heroine verslaafd raakte. “Daarvoor was ik aan de whisky, en toen iemand me heroine aanbood, wist ik helemaal niet dat dat gevaarlijk was.” Haar ouders hebben haar vijf maanden geleden naar Tham Krabok gebracht, en bleven tijdens het afkickprogramma bij haar. Veel ouders doen dat, en zitten hele dagen naast de compounds te wachten tot ze hun zoon of dochter een mandje met fruit mogen brengen.

Bee doet nu administratief werk op het klooster. Volgende maand wil ze non worden. “Maar dan moet ik eerst leren een maaltijd per dag te eten”, zegt ze, smullend van haar noedels tussen de middag. Vroeger deed ze niet aan boeddhisme, ging nooit naar een tempel. “Maar nu, als ik kwaad of nerveus word, dan denk ik aan het boeddhisme en word ik weer rustig.” Op de vraag of ze geen man en gezin wil, antwoordt Bee: “Later misschien.” Daarna horen we van Gordon dat ze al een dochtertje heeft. Hij weet niet waar ze is.

Het recept van het kruidenmengsel kent hij ook niet. Dat kent alleen Phra Chamroon, een voormalige politieman die het klooster 43 jaar geleden oprichtte. Vijf monniken kennen ieder een deel van het recept: hun brouwsels worden door de oude, maar vitale Chamroon gemengd.

Volgens Gordon komen er vaak geinteresseerde artsen en farmaceuten naar Tham Krabok. “George Bush had ook een delegatie van zeven mensen gestuurd, om te kijken of ze een dergelijk programma in de Verenigde Staten zouden kunnen gaan doen.” Maar hoe enthousiast zij ook waren, het recept werd niet gegeven.

Gordon: “Ons is al zoveel geld aangeboden, dat we miljardairs hadden kunnen zijn. Maar wij denken dat het programma niet werkt, als het niet door onze monniken wordt gedaan. Wij verbouwen de kruiden zelf, we plukken ze zelf, we maken het middel zelf. Onze spirit geeft het middel de kracht. Als je er niet echt in gelooft, dan werkt het niet.”

mailIcon print |