*

 
dossier

Archief

'Koop Europese waar, dan helpen wij elkaar'

JAN HOEKEMA − 23/05/95, 00:00

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor D66.

Sinds het Verdrag van Maastricht, maar ook al daarvóór, komt deze gemeenschappelijke Europese diplomatie slechts moeizaam tot stand. Op de oorzaken daarvan, zoals uiteenlopende visies en belangen binnen Europa, is door velen gewezen. De oplossing van dit Europese beleidstekort zal deels institutioneel moeten zijn - onder meer het werken met kleinere groepen betrokken landen - en deels inhoudelijk.

Duidelijk is dat Europa een gemeenschappelijk beleid zal móeten ontwikkelen op straffe van indolentie of een terugkeer naar een politiek van 'grote landen eerst'. Dit laatste is trouwens hier en daar al zichtbaar; Rwanda en Joegoslavië zijn voorbeelden waar weinig gemeenschappelijk, en veel beleid van enkelen zichtbaar was.

Op het terrein van de defensie zal het model van het flexibele engagement, de coalitie van de 'able and willing', voorlopig ook wel het maximaal haalbare zijn. Het op termijn bereiken van een Europees defensiebeleid zou al een hele prestatie zijn. Zo'n prestatie is niet onhaalbaar, mits betrokken landen ook daadwerkelijk bereid zijn werk te maken van de integratie van hun defensie (materieel)-beleid. De WEU kan dan opgaan in de EU en in de aanloop daartoe de opmaat vormen voor het scheppen van een echte defensietak van de Unie.

Welke beleidsinstrumenten staan ons Europeanen ter beschikking om concreet vorm te geven aan dat gemeenschappelijke defensiebeleid? Ik noem er drie.

In de eerste plaats de Combined Joint Task Forces (CJTF), een concept dat Europese Navo-landen in staat stelt zonder deelname van de VS, 'separable but not separate', elementen van Navo's commandostructuren te benutten bij door hen uitgevoerde missies ter zake van crisisbeheersing en VN-vredesoperaties. In de tweede plaats is er een vergelijkbare afspraak met betrekking tot WEU-operaties in GBVB-verband: ook daarbij kunnen Navo-middelen ter beschikking worden gesteld zonder dat de VS zelf meedoen. En ten derde moet meer dan nu worden gewerkt aan een zelfstandige Europese capaciteit op gebieden als gegevens-verwerking ('intelligence'), operationeel planningsvermogen (bijvoorbeeld de huidige WEU 'planning cell' en een op te zetten Europees 'Situation Center') en een eigen logistiek en transportvermogen.

Drijvende krachten achter deze ontwikkelingen zijn, behalve de eigen Europese politieke wil, twee belangrijke, meer externe elementen, ten eerste de behoefte van de Midden- en Oosteuropese landen aan een plaats in de veiligheidspolitieke ordening in Europa; en ten tweede het verminderde engagement van de VS buitenslands en vooral in Europa. De VS zullen een versterkte Europese rol op veiligheids- en defensiegebied dan ook alleen maar toejuichen.

Toch lijkt het erop dat Europa nog wat terugschrikt om die eigen verantwoordelijkheid te nemen. Teveel wordt nog, in de oude reflex, naar Washington gekeken. Teveel ook wordt nagelaten werk te maken van Europese samenwerking. Deze krant wees bijvoorbeeld - terecht - op de lauwe bejegening die Nederland destijds het Eurokorps ten deel liet vallen. Dit paarse kabinet heeft minder last van dit taboe, maar heeft in de praktijk het Eurokorps weinig meer te bieden dan een liaison-officier. Het is niet anders, al zal ook langs andere wegen, zoals de Duits-Nederlandse en Belgisch-Nederlandse samenwerking, onze defensie verder worden geëuropeaniseerd.

Terecht ook is de oproep tot een structurele taakverdeling, waarbij expertise en kwaliteit over de Europese bondgenoten worden verdeeld. Een aparte marineluchtvaartdienst is dan bijvoorbeeld niet meer nodig: samen met de Duitsers gaat het beter en goedkoper. Deze redenatie geldt in beginsel voor meer defensietaken en, wie weet, in een verre toekomst ook voor krijgsmacht-delen. Het Duits-Nederlandse legerkorps in Münster en de multinationale luchtmobiele divisie zijn verdere voorbeelden van integratie in Europees kader.

Boven dat kader kan voorlopig nog zeer wel de Navo als koepelorganisatie en 'facilitair bedrijf' voortbestaan. Er is geen enkele aanleiding de Navo op te offeren aan de onvermijdelijke en wenselijke Europese samenwerking; zij verandert echter wel drastisch van karakter. Niet langer één dominerende bondgenoot - de VS - met een disciplinerend effect. De met de val van de Muur verdwenen gezamenlijke vijand maakte plaats voor een breed scala aan veiligheids-politieke bedreigingen.

Nee, Europa zal door schade en schande moeten leren zelfstandig te worden in de wereld. Een (politiek) Atlantisch handvest, verdrag of contract, zoals door de regering voorgesteld als complement voor de (WEU/EU) defensie en organisatie, is prima om het overleg met de Noordamerikaanse partners te intensiveren, maar zal de eigen Europese verantwoordelijkheid onverlet laten.

Bij die verantwoordelijkheid hoort ook de samenwerking bij defensie-materieel. Het toverwoord 'geen duplicatie' (met de VS) is prachtig, maar wordt sleets naarmate de VS meer middelen aan de Navo onttrekken en voor de behartiging van eigen veiligheidsbelangen elders (Azië!) inzetten. Hoewel een keuze voor de Tigre-helikopter een duidelijk positief signaal zou zijn geweest richting Europese samenwerking op materiaalgebied, is de keuze van het kabinet voor de Amerikaanse Apache in dit stadium van de beoogde Europese samenwerking overigens geen drama. Wel een aanleiding om ons te bezinnen op de vraag of de Europese defensie-industrie wel voldoende ruimte en steun ontvangt. Steun die geld zal kosten enerzijds (en dat in een tijd van teruglopende middelen) en politieke inzet anderzijds. Een inzet om bijvoorbeeld de Europese marine-helikopter, de NH-90, als opvolger van de Lynx een goed figuur te laten slaan. Met die aanschaf is ongeveer even veel geld (plm. 1.6 miljard gulden) gemoeid als met die van de Apache.

Een prealabele vraag is of niet nu met veel meer kracht op werkelijk (pan-)Europese projecten moet worden aangestuurd. De Europese helikopter en het Europese fregat vallen immers nu toch weer uiteen in deelprojecten van afzonderlijke groepen landen. De leuze 'Koop Europese waar, dan helpen wij elkaar' mag dan nog niet dezelfde connotatie hebben als de Nederlandse oorsprong van deze slogan in de jaren vijftig, maar juist is zij - in beginsel - wel.

De geschiedenis van grote Europese materieelprojecten is tot nog toe geen gelukkige. Dat hoeft echter niet zo te blijven, als een reële kans wordt gegeven aan defensiesamenwerking in Europees verband. Nationale protectie en inter-Europese concurrentie zullen dan plaats moeten maken voor strategische samenwerking. Op deze wijze ontstaan langere produktielijnen voor het defensiemateriaal, met als gevolg lagere kosten en meer financiële armslag voor de broodnodige onderzoek en ontwikkeling (R & D). Dit is noodzakelijk om de VS, met hun beschermde en omvangrijke (grote thuismarkt!) defensie-industrie, het hoofd te bieden en op andere, derde markten concurrerend te kunnen optreden.

Dat zou het defensie- en industrie-politieke antwoord moeten zijn op de uitdaging die thans zo urgent wordt geformuleerd. Binnen de beoogde Europese markt kan Nederland zich dan manifesteren op die terreinen waar het goed in is en een comparatief voordeel heeft (marine, radar, enz.).

Als dat een van de lessen is van de aanschaf van de Apache, dan is een Europees lange-termijn voordeel behaald, dat lang zal nawerken op de Nederlandse defensie.

mailIcon print |