Op de Podiumpagina van 31 december kwalificeren de CDA-Tweede-Kamerleden Bremmer en Soutendijk het wetsvoorstel voor partnerregistratie als ondoordacht. Ten onrechte meent de schrijfster van onderstaand stuk. De auteur is actief in de beweging van gelovige lesbo's en homo's.
Bremmer en Soutendijk zetten uiteen welke problemen er kunnen opdoemen voor paren die zich laten registreren. Daarbij maken ze steeds een vergelijking met gehuwde paren. Ze hadden echter een vergelijking moeten maken met ongehuwd samenwonende stellen van man en vrouw. En dan blijft er van hun vergelijkingen geen spaan meer over:
- ook voor die paren dreigt rechtsonzekerheid in het buitenland;
- ook die paren moeten actie ondernemen als ze hun kinderen een juridische vader willen geven: het kind erkennen.
Zij schrijven dramatisch over een stel dat eerst geregistreerd is en daarna alsnog wil huwen: ze suggereren dat men moet doen alsof de partnerschapsrelatie duurzaam ontwricht is. Het beëindigen van een partnerschapsregistratie is echter een relatief eenvoudige handeling, waarbij geen rechter nodig is. En, zoals staatssecretaris Schmitz betoogt in het 'Verslag van een schriftelijk overleg' d.d. 1 november 1996, de juridische consequenties van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap kunnen beperkt zijn: als een paar na de beëindiging met elkaar in het huwelijk treedt, kunnen “alle consequenties van het geregistreerd partnerschap herleven alsof geen beeindiging had plaatsgevonden”. Dus geen moeilijke toestanden van boedelscheidingen enzovoorts, alleen tijdens de ondertrouw de status van ongehuwd samenwonenden.
Bremmer en Soutendijk voorzien zelfs de mogelijkheid van bigamie: iemand kan zich eerst in Nederland laten registreren, en vervolgens in het buitenland met een ander huwen. Ook naar deze mogelijkheid werd in voornoemd Verslag gevraagd. Schmitz antwoordde dat een bestaande registratie een huwelijksbeletsel vormt dat “in de weg staat van de erkenning van het in het buitenland aangegane huwelijk”.
Waarom kunnen Bremmer en Soutendijk het niet laten om telkenmale te vergelijken met de gehuwde staat? Zij geven zelf daartoe een hint: “Ook los van onze wens om het behoud van het huwelijk voor de toekomst te verzekeren. . .” Anders gezegd: ze hebben er moeite mee dat mensen die niet willen huwen, een alternatief geboden wordt. Zij zetten (door steeds met het huwelijk te vergelijken) uitstekend uiteen welke problemen homo's en lesbo's die hun partnerschap laten registreren, tegen kunnen komen:
- ook voor hen geldt de dreiging van rechtsonzekerheid in het buitenland, maar zij kunnen redeneren: beter een half ei (rechtszekerheid in Nederland) dan een lege dop (helemaal geen rechtszekerheid);
- er ontstaat geen automatisch ouderschap. Maar anders dan bij een heterostel: wanneer er een kind geboren wordt, kan de sociale moeder of vader dat kind niet erkennen. ('Erkenning' is in Nederland een rechtshandeling, geen waarheidshandeling, dat wil zeggen dat een man die 'erkent', daarmee niet hoeft te suggereren dat hij de biologische vader is. De mogelijkheid van 'erkenning van ouderschap' door een vrouw bestaat in Nederland nog niet).
Bremmer en Soutendijk verwijzen naar het CDA-rapport '1 + 1 is samen' uit 1986. Mag ik hen eraan herinneren dat de meerderheid van de commissie die dat rapport schreef, vond dat samenwonende lesbo-/homoparen het recht dienen te hebben om een kind te adopteren?
Aan de rechtsonzekerheid in Nederland kan een eind gemaakt worden door het huwelijk voor lesbo's en homo's open te stellen. Nog beter zou het trouwens zou het zijn om ook registratiemogelijkheden te scheppen die minder op het huwelijk geënt zijn. De Emancipatieraad heeft daartoe een aantal voorstellen gedaan. Maar dat is een heel ander verhaal.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.