*

 
dossier

Archief

Alleen dekens voor de ramen maken de ramp zichtbaar

WILMA KIESKAMP − 29/09/94, 00:00

STOCKHOLM - Er hangen paardedekens voor de ruiten van het Stockholmse hoofdkantoor van de veerbootmaatschappij Estline. Het terrein is afgezet. Er staan politiewagens en cameraploegen.

Tot zover biedt de ramp met de veerboot Estonia tenminste enig visueel houvast. De dekens, de agenten, ze bevestigen dat de ramp echt heeft plaatsgevonden. Want verder is er niets.

Als 800 mensen in één nacht verdrinken is dat moeilijk te bevatten. Maar wat als er geen beelden van zijn? De Estonia ligt op de bodem van de Oostzee. Boven het schip heeft de zee zich gesloten. De slachtoffers liggen onbereikbaar ver weg. Er zijn geen tv-beelden van de reddingsoperaties op volle zee, midden in de nacht. De Zweedse omroepen illustreerden de catastrofe gisteren noodgedwongen met eindeloze archiefbeelden van een boot die er niet meer is. Zweden verkeert in een shock.

Zelfs het weer versterkt het ongeloof. De nachtelijke storm is gaan liggen. De zon schijnt, het water in de haven ligt aan het eind van de middag te kabbelen alsof er niets gebeurd is. Een paar passen verwijderd van de drukte bij het crisiscentrum ligt de kade van Estline er verlaten bij. Hier had de veerboot om 10.00 uur vanochtend moeten aanmeren. Er heerst een wezenloze stilte. 'Uitgang', wijzen de bordjes. Het hek staat open, maar er rijdt niemand door. In de aankomsthal van Estline is het vandaag wel druk geweest. Niet met passagiers, maar met journalisten. De meesten zijn echter alweer naar huis. De laatste persconferentie was alleen nog maar een herhaling van de vorige: dezelfde aantallen overlevenden, dezelfde aantallen vermisten. Het getal 800 wil maar niet verdwijnen.

De ramp met de Estonia doet soms denken aan de dagen na de ramp met de El AL Boeing in de Bijlmer. Maar toen waren er wrakstukken, smeulende puinhopen. Een plek. Uiteindelijk viel het aantal doden relatief mee. Bij het vergaan van de veerboot op de Oostzee ligt dat precies andersom: zoveel meer doden, niets te zien.

Op straat zoekt de pers naar de verhalen van kleine wonderen. Er is behoefte aan zulke verhalen. Marita üun heeft zojuist met haar drie jonge kinderen, de oppas en een vriendin het crisiscentrum verlaten. Ze kreeg goed nieuws te horen en is buiten zinnen van vreugde. De echtgenoot van Marita zat op de veerboot, omdat hij voor een liefdadigheidsproject speelgoed en kleren naar Estland had gebracht. “Hij stond vanochtend niet op de lijst met overlevenden. We hadden alle hoop al verloren”, vertelt ze. “Toen werden we gebeld dat hij leefde. Hij ligt nu in een ziekenhuis, maar komt misschien vanavond al thuis. Dit is een happy end.”

Ook vader üun is naar het crisiscentrum gekomen. Hij is nog uitzinniger dan zijn schoondochter over de redding van zijn zoon. Hij moet het nieuws vertellen, aan elke journalist die hij kan ontdekken op het terminal-terrein.

Vervolg op pagina 5

'Het dringt gewoon nog niet zo tot ons door'

VERVOLG VAN PAGINA 1

Vanachter de rood-witte afzetting geeft vader üun een eigen persconferentie, gretig gefilmd door de cameraploegen, die de hele dag alleen met telelenzen de uitgang van het crisiscentrum konden bereiken.

De nabestaanden van vermiste en omgekomen passagiers van de M/S Estonian hebben weinig behoefte aan contacten met de pers. Sommigen huilen, anderen lopen met stille blik terug naar hun auto's.

Bengt Forsell van de Stockholmse politie is de hele dag rond het crisiscentrum in touw geweest bij de opvang van de familieleden. Forsell is bekaf.

“Ik ben wel gewend dat ik mijn werk soms slecht nieuws moet brengen aan mensen. Maar niet in deze omvang. Steeds weer nieuwe mensen kwamen er binnen. Aan zoveel mensen hebben we vandaag een afschuwelijke boodschap moeten brengen.”

De politie heeft vandaag een dubbel zware dag. Op de veerboot zaten 65 collega's van het Stockholmse politiekorps. De meesten zijn vermist.

Forsell is een van de weinigen die openlijk emotioneel is onder de ramp. Op televisie en ook op de persconferentie van de politie, hulpverleners en de veerbootmaatschappij zijn emoties juist ver te zoeken. Afgestompt, lijken de woordvoerders. In een shock.

“Er zijn misschien weinig emoties te zien, maar vergeet niet dat de meesten van ons al vanaf vannacht in touw zijn geweest. We zijn gewoon bekaf”, zegt de pr-functionaris van de politie. “Ik denk dat het de shock is. Het dringt gewoon nog niet zo tot ons door dat het allemaal echt is gebeurd.”

Vooral de 65 collega's schieten haar steeds door het hoofd. Ze denkt dat het ook wel 'een beetje' de Zweedse aard is die hier meespeelt. “Dat verdriet komt er later pas uit. Het moet allemaal nog komen”, zegt ze somber.

Op de persconferentie wordt met Zweedse precisie vooral stilgestaan bij de organisatie van de zorg voor de nabestaanden. Er is al een heel netwerk opgezet van pastors, maatschappelijk werkers en artsen en zo snel mogelijk zal ook de nazorg via netwerken worden opgezet. Maar de opvang mag goed geregeld zijn, over de informatievoorziening wordt door de in onzekerheid verkerende familieleden veel geklaagd.

Het is volstrekt onduidelijk welke overlevenden waar naar toe zijn vervoerd. Veel families verkeren nog steeds in grote onzekerheid. De avond na de ramp zijn in elk geval al zeven overlevenden teruggekeerd in Stockholm, en zullen nog eens 32 anderen ook arriveren - per veerboot, wrang genoeg.

Alleen woordvoerder Akerhielm van Estline komt met woorden die bij een historische ramp als deze passen. Hij zegt 'tragisch', hij zegt 'diep bedroefd', hij zegt 'aangeslagen'. Maar verder heeft Akerhielm ook geen antwoord op de vele vragen. Wat was de oorzaak van de ramp? Hoeveel nationaliteiten waren er aan boord? Waar zijn alle overlevenden nu? Hoe is het met hen? Wordt het schip geborgen? Steeds luidt het antwoord dat het antwoord nog even uitblijft. “We weten nog zo weinig.”

mailIcon print |