WASSENAAR - De Algemene rekenkamer en de milieubeweging hebben hun bedenkingen. Maar overheid en chemische industrie zijn redelijk tevreden over die typisch Hollandse manier om - door de industrie veroorzaakte - milieuproblemen op te lossen: het milieuconvenant.
Die tevredenheid bleek gisteren in kasteel De Wittenburg te Wassenaar waar vertegenwoordigers van diverse overheden en chemische concerns de drie jaar geleden gemaakte afspraken tussen rijk en chemie over vermindering van de uitstoot van vervuilende stoffen onder de loep namen. Hoewel de locatie deed vermoeden dat de chemische industrie de bijeenkomst organiseerde - de chemie pleegt haar evaluerende bijeenkomsten over het algemeen niet in het Armenhuis te organiseren - lag de verantwoordelijkheid voor de drukbezochte conferentie bij de Overleggroep chemische industrie, de club die toeziet op de naleving van het convenant.
Namens die club constateerde J. Roozenburg van de milieudienst Rijnmond dat de industrie zich goed houdt aan de in 1993 gemaakte afspraken. Van de 126 chemische bedrijven hebben er 107 een bedrijfsmilieuplan gepresenteerd waarin zij aangeven hoe zij hun uitstoot van vervuilende stoffen beperken. De meeste doelstellingen die voor het jaar 2000 zijn afgesproken, worden gehaald, tenminste als de chemie een aantal al aangekondigde maatregelen ook uitvoert. Uitzonderingen zijn er ook: zo dreigt de uitstoot van stikstofoxyde (NOx) door de grote verbrandingsovens in 2000 nog te hoog te zijn. Ook de uitstoot van een aantal chemische stoffen naar lucht en water zal in 2000 hoger uitvallen dan is afgesproken. Het afvalprobleem is eveneens nog onvoldoende onder controle. Roozenburg benadrukte echter dat de knelpunten bij een beperkt aantal bedrijven liggen.
In het algemeen is de overheid zeker niet ontevreden met het convenant, dat in het verleden vooral gepropageerd is door de toenmalige minister van Vrom, Alders. “De chemie heeft veel goeds gedaan”, constateerde C. Moons van het ministerie van Vrom. Wel meent hij dat het milieubeleid nog onvoldoende wortel heeft geschoten in de chemie. Bedrijven nemen nog te vaak milieumaatregelen omdat de overheid druk uitoefent: het gebeurt te weinig vanzelf. Moons stelde verder dat de chemie te veel is gefocust op zogeheten end-of-pipe-maatregelen zoals de zuivering van afvalwater of fabrieksrook. Te weinig oog is er nog voor verandering van hele produktieprocessen. “De integratie van het milieubeleid in het bedrijfsbeleid, dat komt nog onvoldoende uit de verf.” Toch was die beoogde integratie een van de redenen om te gaan werken met een convenant.
De chemie oordeelde nog wat positiever dan de overheid. Volgens W. Quik, technisch directeur van de VNCI, de koepel van chemische bedrijven, hebben bedrijven nu meer ruimte om zelf te bepalen hoe zij aan doelstellingen gaan voldoen dan in het oude systeem waarbij de overheid vergunningen verleende. Wel vindt hij dat de overheid zich nog te vaak met de uitvoering bemoeit.
Quik zei verder dat de overheid moet leren met één mond te spreken. Het wordt wat gortig als een bedrijf aan vier overheidsinstanties rapportages moet verschaffen en één van die overheden, een waterschap bijvoorbeeld, bovendien aanvullende eisen gaat stellen. Quik benadrukte dat bedrijven soms verder zijn dan ze in hun rapportages aangeven. Ze lopen nu eenmaal niet graag te koop met hun toekomstige - strategische - plannen.
De reden waarom de chemie content is met het convenant - meer vrijheid om afspraken en doelen na te komen die op vrijwillige basis zijn gesloten - was destijds ook voor Alders de reden om het convenant met enthousiasme te propageren. De industrie pleegt nu eenmaal liever te voldoen aan doelstellingen die ze zelf (mede) bepaalt dan aan doelen die de overheid hun oplegt, ook al zijn de doelen even streng. Diezelfde vrijheid was voor de Algemene rekenkamer juist een probleem: in het algemeen zijn convenanten vaag, vrijblijvend en daarom moeilijk controleerbaar, oordeelde de Rekenkamer in een in november uitgebracht rapport.
Ook de milieubeweging is niet wild van convenanten. Dat de chemie meedenkt over het milieu is mooi, vindt bijvoorbeeld de Stichting natuur en milieu. Maar volgens Lucas Reijnders van de stichting is het nu de chemie die bepaalt met welk tempo zij de vervuiling te lijf gaat. De overheid kan binnen het kader van een convenant te weinig druk uitoefenen, vindt hij. “De tevredenheid over het convenant is misplaatst”, betoogde Reijnders. “Er is pas reden voor tevredenheid als de totale milieukosten van een produkt worden doorberekend in de kosten en een flink aantal schadelijke chemicaliën is verboden.” J. Henselmans, eveneens Natuur en milieu, laakte het feit dat bedrijven geen gegevens verstrekken over de uitstoot van het broeikasgas kooldioxyde. Bedrijven doen dat niet graag, omdat dat gegeven te veel zegt over hun energieverbruik en daarmee over werkmethodes en technische know how.
Overheid en chemie zien in die kritiek echter geen reden om het convenantenpad te verlaten. Sterker nog, over een paar jaar komt een nieuwe serie bedrijfs-milieuplannen uit, waarin bedrijven aangeven hoe ze hun emissies verder terugbrengen. Dat wordt nog een flinke toer. Want de algemene regel is: hoe meer de vervuiling wordt teruggedrongen, des te hoger zijn de kosten die bedrijven daarvoor moeten maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.