AMSTERDAM - Mirjam Ohringer had de oorlog misschien niet overleefd als ze geen contact had gehad met illegale Joodse vluchtelingen uit Duitsland. “Zij leerden ons hoe voorzichtig we moesten zijn als we met illegaal werk bezig waren. Hoe we over bepaalde dingen niet moesten spreken. Hoe we moesten zorgen dat we geen aandacht trokken. Dat was heel belangrijk. We hebben niet alleen geluk gehad.”
Juist daarom ook vindt ze het zo belangrijk dat de herdenking van de Kristallnacht dit jaar zo direct gekoppeld is aan wat heet 'het vluchtelingenprobleem'.
In elf plaatsen in Nederland, waaronder Amsterdam, werd gisteren herdacht dat zestig jaar geleden de zogeheten Kristallnacht plaatsvond. In de nacht van 9 op 10 november 1938 werden in heel Duitsland op aanstichten van de nazi's Joden aangevallen, hun winkels geplunderd, bezittingen vernield en synagogen in brand gestoken. Zo'n honderd mensen werden vermoord of pleegden zelfmoord. Velen werden naar concentratiekampen getransporteerd.
Ohringer woonde in 1938 - toen veertien jaar oud - in Amsterdam. Haar ouders, Poolse Joden, waren kort na de Eerste Wereldoorlog in Nederland terechtgekomen. Vrijwel al haar familieleden in Duitsland werden vlak voor de Kristallnacht door de nazi's opgepakt en weggevoerd. Wel hoorde ze verhalen van Joodse vrienden van haar, die in Berlijn in het verzet zaten en de Kristallnacht meemaakten. “Het was vooral die verschrikkelijke angst. Het was een systeem van willekeur. Een Jood is een Jood. En alles was gebaseerd op intimidatie.”
Het gezin Orhinger in Amsterdam hielp mee bij het zorgen voor vluchtelingen uit Duitsland. Illegaal, omdat de Nederlandse overheid hen niet formeel wilde toelaten. “Het erge is dat we in Nederland nu weer met deze discussie zitten. Maar niemand vlucht voor z'n lol. Niemand verlaat zijn familie en alles wat hij heeft als hij niet tot het uiterste genoodzaakt is dat te doen.”
Tijdens de herdenking gisteren in Amsterdam, schetsten burgemeester Patijn en dominee A. Grandia, voorzitter van de Werkgroep vluchtelingen van de Raad van kerken, hoe Nederland eind jaren dertig de grenzen sloot voor Joodse vluchtelingen. “Ook toen speelde de angst dat Nederland het afvoerputje van Europa zou worden, wat een vreselijk woord overigens”, zei Grandia. Alleen door binnen drie dagen een borgsom voor de opvangkosten van een miljoen gulden te betalen, kon het Comitee voor Joodsche vluchtelingen minister van justitie Goseling overhalen iets meer vluchtelingen toe te laten. Wel moesten dan twee opvangkampen worden opgezet en moesten de vluchtelingen zo snel mogelijk naar andere landen door-emigreren.
Grandia schetste hoe de Nederlandse overheid vooral dacht in termen van 'beheersbaarheid'. Een manier van denken die volgens hem de laatste jaren weer de kop opsteekt. De plannen van CDA, VVD en D66 om vluchtelingen uit Bosnië met de hoogste vluchtelingenstatus, de A-status, terug te sturen, noemt Grandia 'schandalig'. Het gevaar is volgens hem groot dat racisme 'zelfs in de zogenaamde democratische partijen' voet aan de grond krijgt. “Ik ben op het moment minder benauwd voor extreem rechts dan voor zogenaamd fatsoenlijk rechts.”
“Wat ik erg vind, is dat 'democratische' partijen meningen geven die lijken op die van rechtsradicalen”, zegt Ohringer. “Mensen hoeven niet meer op de CD te stemmen als de VVD als 'fatsoenlijke' partij verwarrend veel op dergelijke partijen gaat lijken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.