*

 
dossier

Archief

'Wij maken de krant wel, zorgen jullie maar dat 'ie verkocht wordt'

DORIEN PELS − 12/10/96, 00:00

Toen Ton Schuurmans in 1988 naast zijn functie als hoofdredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden ook die van directeur kreeg, barstte de discussie los. De directeur, dat was iemand aan de andere kant van de schutting. En als hij er probeerde op te klimmen, dan sloeg de redactie er hem in naam van de journalistieke onafhankelijkheid vanaf. Zo strikt was de scheiding altijd geweest. Maar op de golven van de jaren tachtig was er al wat verwatering opgetreden en kon er tenminste gediscussieerd worden. Mag dat wel, zo'n dubbelfunctie? Kan iemand die zo direct te maken krijgt met het financiële en commerciële beleid van een krant nog wel garant staan voor een onafhankelijk journalistiek product? Vorige week trad Ton Schuurmans (55) af. Onder invloed van veranderingen binnen zijn bedrijf liep hij tegen de grenzen van zijn twee petten-bestaan op.

En toch, zegt Jules van Neerven, hoogleraar economie van het dagbladbedrijf aan de Universiteit van Amsterdam en zelf in de jaren zestig directeur-hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad, is het heel goed als een hoofdredacteur tegelijk deel uitmaakt van de directie. Anders groeien directie en redactie te ver uit elkaar. Zo'n directielid, dat de belangen van de redactie vertegenwoordigt, kan tegelijk hoofdredacteur zijn, mits hij zich uitsluitend bezighoudt met journalistieke zaken. “Ik denk dat het de autonomie van een redactie versterkt als de hoofdredacteur ook zitting neemt in de directie. Hij kan dan meepraten. Zonder dat kan een directeur zeggen, ìk ben hier de baas.”

Harry Lockefeer, oud-hoofdredacteur van de Volkskrant en tegenwoordig hoogleraar journalistiek aan de Universiteit van Groningen, is het niet met Van Neerven eens. De kans dat een hoofdredacteur die zo nauw betrokken raakt met het financiële en commerciële beleid van zijn krant die invloed ook binnen zijn redactie merkbaar maakt, is te groot.

Een hoofdredacteur is al lang niet meer de ideologisch bevlogen, politiek betrokken commentarenschrijver van weleer, toen 'onafhankelijke' kranten nog precies wisten voor welke verzuilde groep zij schreven. Van lezersonderzoeken en adverteerders moesten zij al helemaal niks hebben en tegen de uitgever zeiden ze: “Wij maken de krant wel, zorgen jullie maar dat-ie verkocht wordt.”

Fusies, de concurrentie van de televisie, waardoor de adverteerdersmarkt kleiner werd, en het wegvallen van een homogene groep lezers hebben de positie van de hoofdredacteur en daarmee die van de redactie veranderd. De hoofdredacteur van nu is een manager, die beslist over het personeelsbeleid, overleg voert met de directie, verantwoording moet afleggen bij de Raad van Commissarissen en daarnaast een krant moet maken. Het enige dat, volgens Ton Schuurmans, een hoofdredacteur onderscheidt van een directeur, is dat hij formeel minder zeggenschap heeft over de krant in zijn geheel. Dat was dan bij deze opgelost, dacht Ton Schuurmans in 1988. Met instemming van de redactieraad, die ook de voordelen van een grotere invloed op het reilen en zeilen van de krant inzag, werd hij directeur van Hazewinkel Pers.

Vorige week besloot Schuurmans af te treden als directeur. Die beslissing heeft hij genomen omdat directie-voorzitter Hans Aberson met de vut ging. “Als plaatsvervangend directie-voorzitter hoefde ik geen beleid uit te zetten. Dat deed Aberson en als hij afwezig was nam ik het over. Nu zou ik hem moeten opvolgen en dat zou een te grote belangenverstrengeling met mijn positie als hoofdredacteur zijn. Dan zou ik niet alleen toezicht houden, maar ook zelf het commerciële beleid moeten uitstippelen. Daar trek ik, in overleg de redactieraad, de lijn, want dan zou ik misschien beslissingen moeten nemen die tegen het belang van de redactie indruisen.”

Dat risico was al steeds groter geworden, omdat het krantenlandschap in het noorden was veranderd. Twee jaar geleden fuseerde de uitgever van het Nieuwsblad van het Noorden, Hazewinkel Pers, met de Friese Pers bv. Samen vormen deze twee uitgevers sindsdien de holding Noordelijke Dagblad Combinatie (NDC). Schuurmans verhuisde met zijn directie mee naar de NDC en had dus drie jaar lang zeggenschap over drie kranten: de Drentse Courant (45.000), het Groninger Dagblad (23.500) en zijn eigen krant, het Nieuwsblad van het Noorden (oplage 132.000).

Maar de zaken veranderden de laatste jaren drastisch. Forse verliezen bij het Nieuwsblad van het Noorden en een dure, mislukte automatisering van het boekhoudkundig systeem maakten een reorganisatie nodig, waarbij Schuurmans' dubbelfunctie onhoudbaar bleek. Maar het had al eerder mis kunnen gaan, geeft Schuurmans toe: “Bijvoorbeeld als de Drentse Courant haar bezorgingsgebied had willen uitbreiden, ten koste van het Nieuwsblad.”

In die situatie was er echter altijd nog de redactieraad die de eigen hoofdredacteur kon terugfluiten, want zo is dat geregeld via een extra bepaling in het redactiestatuut, dat ervoor moet zorgen dat de inhoud van een krant te allen tijde los blijft staan van de commerciële en financiële belangen van het bedrijf. Dit soort dilemma's hebben wel altijd gedreigd, maar zich nooit voorgedaan, zegt Schuurmans. Zelfs niet als er beslissingen genomen moesten worden over de twee andere kranten binnen het concern, die beide geleid worden door één hoofdredacteur, Gerrit Jan Laan. “Daar hadden we wel veiligheidstrucs voor. Ik onderhandelde bijvoorbeeld nooit met Laan zelf. Hij deed operationeel zaken met de andere directieleden.”

Maar gegeven de inlevering van zijn directiepet staat Schuurmans nog steeds niet afwijzend tegenover een vertegenwoordiger van een redactie in de directie. “Mij lijkt het verstandiger. Nu zit de directeur boven en besluit dat er van de winst die de krant maakt bijvoorbeeld een databank gekocht gaat worden, of dat er extra geld in regionale omroepen wordt gestoken. Als er ook iemand met een journalistieke achtergrond in de directie zit, kan hij wijzen op de noodzaak tot investering in de redactie zelf.”

Schuurmans trad aan als directeur, toen Reurt Hazewinkel, de laatste telg van de uitgevers-dynastie in Groningen, met pensioen ging. De Hazewinkels waren “echte courantiers, met zeer veel verstand van kranten”, zegt voormalig Brandpunt-redacteur Schuurmans. In Hazewinkels plaats zou, zoals dat bij veel uitgeverijen gebeurt, iemand met een financiële of economische achtergrond in de plaats komen. In de directie zit immers ook iemand die gaat over de boekhouding, over de advertenties en een directeur voor de technische en grafische dienst. Waarom dan geen redactioneel directeur?

“De hoofdredacteur moet onafhankelijk blijven van de zogenaamde facilitaire bedrijven, zoals het grafisch bedrijf, de advertentie-exploitatie, de technische dienst en de uitgever in feite zijn”, zegt Harry Lockefeer. “Een redactiestatuut dient te waarborgen dat de directie nooit iets kan beslissen zonder overleg met de hoofdredacteur. Zo kan een hoofdredacteur primair de belangen van zijn redactie en de inhoud van zijn krant behartigen. Daar heeft ook de directie belang bij, want de kern van een krant is immers het brengen van goed, journalistiek nieuws.”

Ook voor de Nederlandse Vereniging van Journalisten (de NVJ) is een hoofdredacteur-directeur uit den boze. “Een hoofdredacteur is er primair voor de journalistieke belangen. Als hij in de directie zit, is de kans groot dat hij zich laat beïnvloeden door commerciële belangen. Dat kan gevolgen hebben voor de inhoud, en dan zit je al snel op een hellend vlak.”

Toch is zo'n verstrengeling van belangen bijvoorbeeld in de Angelsaksische landen, met een toch niet onaanzienlijke dagbladcultuur, heel gebruikelijk. Daar heet een hoofdredacteur ook editor, letterlijk vertaald 'uitgever'. De editor is de hoogste baas en de inhoud van de krant, bijvoorbeeld binnen het Anglo-Amerikaanse kranten-conglomeraat van Rupert Murdoch, wordt dan ook veel duidelijker beïnvloed door wensen van adverteerders en lezers, en Murdoch zelf natuurlijk. 'The Sun' gaat geen dag van de persen voor Murdoch de voorpagina heeft goedgekeurd.

“Een situatie waar wij absoluut tegen zijn en die ook niet past binnen de Nederlandse traditie van onafhankelijke journalistiek”, zegt Inge Brakman, secretaris van de NVJ. “Een hoofdredacteur moet kunnen zeggen: hier ligt voor mij de grens, zonder wakker te hoeven liggen over de consequenties die het verlies van adverteerders eventueel zou opleveren. Wij zijn dan ook blij dat Schuurmans zijn dubbelfunctie heeft neergelegd.”

Het Nieuwsblad van het Noorden was niet de enige krant met een hoofdredacteur-directeur. Ook Lútsen Kooistra van het Friesch Dagblad, een van de laatste zelfstandige kranten die Nederland nog kent, bekleedt zo'n dubbelfunctie. Maar ook een van de twee hoofdredacteuren van De Telegraaf heeft zitting in de directie van de holding De Telegraaf. Nu levert dat niet direct belangenconflicten op, omdat er in beide gevallen geen concurrerende kranten in het concern zitten. Bij De Telegraaf zijn de andere kranten van de holding regionaal. Maar wat als De Telegraaf, en niet Perscombinatie, vorig jaar de Nederlandse Dagblad Unie (NRC/Handelsblad en Algemeen Dagblad) had overgenomen en die twee kranten daardoor de hoofdredacteur van de concurrent boven zich hadden gekregen?

Dat is niet gebeurd. Perscombinatie kocht NDU en deze uitgever houdt vast aan een zekere afstand tussen directie en hoofdredacties. Een dubbelfunctie van hoofdredacteur en directeur is vooral problematisch in concerns die meerdere titels uitgeven. Perscombinatie heeft vijf landelijke kranten, met vijf hoofdredacteuren, die elkaars concurrent zijn. De keuze is helder: of allemaal in de directie, of niemand.

Jan Greven, hoofdredacteur van Trouw en tevens voorzitter van het Genootschap van hoofdredacteuren, spreekt over 'het grijze gebied' als hij het heeft over de overlapping van de taken van een hoofdredacteur en die van een directie. “We moeten ons als hoofdredacteuren meer aantrekken van marketing. En we moeten ook overleggen over de begroting. Dat is ingewikkelder, omdat voor de meeste kranten geldt dat ze binnen een groter concern vallen. Maar de directie is de uitgever, en die is verantwoordelijk voor het economisch rendement. Niet de hoofdredacteur.”

Greven is dan ook geen voorstander van een dubbelfunctie. Toch ziet hij het probleem van samenwerking tussen de directie en de redacties van de kranten groeien, juist in grotere concerns. Daar is de positie van de hoofdredacteur lastig geworden. Helemaal als het gaat om uitgevers van grote clusters van regionale bladen, zoals bijvoorbeeld Wegener, waar de directie de scepter zwaait over een reeks van kranten in het oosten van het land. Die directie zit niet meer op de bovenste etage in hetzelfde gebouw als de redactie, maar vaak in een andere stad. Dat maakt overleg met de vele hoofdredacteuren er niet makkelijker op.

Bijvoorbeeld als die directie fusies afdwingt, waar de redacties misschien wel helemaal geen zin in hebben. De hoofdredacteur moet daar zijn fiat aan geven en het nieuws vervolgens aan zijn eigen redactie verkopen. Dat bemoeilijkt zijn positie binnen de redactie. Dat soort problemen is voor Van Neerven reden voorstander te zijn van meer invloed van hoofdredacteuren binnen zo'n directie.

Schuurmans zal niet echt met weemoed terugdenken aan de dagen dat hij nog twee functies had. De dubbele pet betekende heen en weer rennen, steeds bedenken in welke hoedanigheid hij waar zat, twee secretariaten en hele lange werkdagen. Hij heeft altijd getracht de twee functies gescheiden te benaderen. Wetend dat hij daarbij door zijn redactieraad scherp in de gaten werd gehouden. Lockefeer: “Daaraan zie je al dat de redactie geen volledig vertrouwen had in de dubbelfunctie, terwijl het voor de kwaliteit van de krant juist van het grootste belang is, dat die eigenzinnige groep, die journalisten meestal vormen, een eenheid is.”

Nooit of te nimmer mag een hoofdredacteur daarom zijn redactionele onafhankelijk prijsgeven, zegt Lockefeer: “Een hoofdredacteur moet knokken, met de redactie en met de directie. Zijn enige taak daarbij is om journalistiek gezien de beste krant van West-Europa te maken.”

mailIcon print |