*

 
dossier

Archief

Het was een schok om te ontdekken dat je rijkdom niet met anderen deelt/Oegandese schrijver Moses Isegawa in de voetsporen van Rushdie en Márquez

GERTJAN VINCENT − 28/07/97, 00:00

AMSTERDAM - Het Centraal Station in Amsterdam op een zomerse ochtend. Een blik op de aankomst- en vertrekhal maakt duidelijk waarom Amsterdam de meest kosmopolitische stad van Nederland is. Een krioelende massa in alle kleuren van de regenboog verdringt zich rond de uitgang. Reizigers banen zich een weg tegen de stroom in om op tijd hun trein te kunnen halen, toeristen laten zich opslokken door het grote plein waar straatmuzikanten en handelaars in ongeregelde koopwaar om hun aandacht bedelen.

Toen de Oegandees Moses Isegawa (1963) zeven jaar geleden naar Nederland kwam, was dit zijn eerste kennismaking met onze samenleving. Het deed hem in een aantal opzichten denken aan het taxi-park in Kampala waar een vergelijkbare bedrijvigheid heerst, maar de cultuurschok was er niet minder om: “Alles was hier zo netjes geregeld”, zegt hij in de Stationsrestauratie waar ik hem ontmoet. “Ik voelde me totaal machteloos. Ik was eraan gewend om over van alles en nog wat te onderhandelen: door een beetje te manipuleren en te ritselen kreeg je dingen voor elkaar, maar hier werkte dat dus niet.”

Hij kwam terecht in het migrantencircuit, raakte vertrouwd met het Bijlmergetto en de moeizame pogingen om een legaal plekje in de samenleving te veroveren: “Oeganda verlaten om naar Nederland te gaan, was niet de grootste stap”, zegt hij, “maar je moet in het nieuwe land ook succes hebben, want je kunt niet met lege handen terugkomen.” Hij zag om zich heen lotgenoten vuil en zwaar werk doen in het schemergebied van de arbeidsmarkt om wat geld opzij te kunnen leggen, maar Isegawa had een andere droom: hij wilde schrijver worden.

Jarenlang worstelde hij om het vak onder de knie te krijgen en enkele maanden geleden voltooide hij de laatste pagina van zijn Engelstalige manuscript. Wat volgde, lijkt het begin van een succesverhaal: “Het is een van die zeldzame postwondertjes”, reageren ze bij uitgeverij De Bezige Bij waar het ruim 500 pagina's dikke manuscript op de deurmat viel. Alle redacteuren die het onder ogen kregen waren het erover eens dat dit een heel bijzonder debuut was zonder zwakke plekken. “Het is wel dik, maar dat is de natuurlijke omvang van het verhaal en daar wordt dus niet aan gesleuteld. We hebben de wereldrechten gekocht en hopen de Nederlandse vertaling in het voorjaar op de markt te kunnen brengen.”

'Abyssinian Chronicles', zoals de oorspronkelijke titel van zijn roman luidt, doet in een aantal opzichten denken aan het werk van de Nigeriaanse Booker-Prizewinnaar Ben Okri: een panoramische en cyclische verteltrant die zijn wortels heeft in de orale traditie, gecombineerd met een lyrisch taalgebruik dat steunt op een enorm rijke woordenschat. In zeven hoofdstukken beschrijft Isegawa de verschillende fasen uit het leven van de ik-persoon, een romanpersonage met nogal wat autobiografische trekjes.

Zijn opgroeien in het dorp, de overgang naar de grote stad, de rampzalige politieke ontwikkelingen tijdens en na het Amin-regime en uiteindelijk zijn vertrek naar Nederland en de complicaties van het migrantenbestaan. “Wat voor mij voor ogen stond”, zegt Isegawa, “was het combineren van een persoonlijke levensgeschiedenis met de politieke geschiedenis van mijn land. Zoiets als Rushdie gedaan heeft met 'Middernachtskinderen' of Márquez' 'Honderd jaar eenzaamheid'. Dat speelt zich ook af in een klein dorp met heel gewone mensen. Op een gegeven moment strijken daar wat zigeuners neer die er andere ideeën op na houden. Als ze weer vertrokken zijn, is de visie van de dorpsbewoners op het leven toch wat veranderd. Mijn allergrootste inspiratiebron is wel de Bijbel. Het is voor een Afrikaan makkelijk om zich te identificeren met wat daarin beschreven wordt: polygamie, moord en doodslag, wrede slachtpartijen, het maakt allemaal deel uit van onze werkelijkheid.”

Als kleinzoon van de hoofdman van zo'n zes à zeven dorpen, groeide Isegawa op in een familie die over meer land en geld beschikte dan andere. Het bezorgde de kleine Moses een machtspositie die hem sneller dan zijn leeftijdsgenootjes vertrouwd maakte met de wereld van de volwassenen: “Ze kwamen naar mij toe om gunsten te vragen en te bemiddelen bij mijn opa. Ik wist wie er om geld verlegen zat en wie zijn vrouw had geslagen. Je kon mensen daarmee chanteren als je zelf wat kattekwaad had uitgehaald. Bovendien assisteerde ik mijn oma die vroedvrouw was voor de wijde omgeving. Ik zag vrouwen die doorgaans het zware werk op het land verrichtten plotseling in heel andere omstandigheden en ik verwonderde mij erover dat zulke sterke persoonlijkheden ook zo kwetsbaar konden zijn.”

Als zijn ouders naar de grote stad verhuizen om hun maatschappelijke kansen te vergroten, blijft de ik-figuur aanvankelijk achter bij zijn oma met wie hij een betere band heeft dan met zijn moeder, een ex-non die het gezin met ijzeren hand regeert. Wanneer het huis van zijn oma tijdens de machtsovername van Idi Amin in vlammen opgaat, voegt hij zich bij zijn ouders in Kampala. “Dat was een hele schok voor me”, zegt Isegawa, “want ik was in één klap mijn bevoorrechte positie kwijt. Daar kwam nog bij dat mijn moeder, die mij maar een wijsneus vond, vastbesloten was mij een toontje lager te laten zingen. Ze zadelde mij op met de zorg voor haar kleine kinderen. I had become the family shitman.”

Terwijl Amin een waar schrikbewind uitoefent, de politieke onrust toeneemt en het onberekenbare optreden van de Geheime Dienst het overlevingsinstinct op scherp zet, lijkt de hoofdpersoon meer geïnteresseerd in een persoonlijke guerrilla tegen de mensen in zijn directe omgeving: “Ik wilde beslist geen verhandeling schrijven over hoe beroerd het Amin-regime wel niet was. Dat zou veel te gemakkelijk geweest zijn. Je moet ook niet uit het oog verliezen dat toen Amin net aan de macht kwam, vlak voordat ik naar de grote stad verhuisde, hij enorm populair was. Hij had een geweldig charisma en beloofde na vier jaar weer terug naar de barakken te gaan om plaats te maken voor een burgerregering. De ik-figuur ziet hem als een soort cowboy, een fantasiefiguur met wie hij zich kan identificeren. Zijn geheime bondgenoot in zijn strijd tegen de tirannen thuis, het ouderlijk gezag. Pas als hij ouder wordt, dringt de realiteit van de politieke terreur in haar volle omvang tot hem door.”

Wanneer de toestand thuis ondraaglijk is geworden, besluit de ik-persoon naar het klein-seminarie te gaan, niet uit roeping maar om zo snel mogelijk een toelatingsbewijs tot de universiteit te kunnen krijgen. 'Seminarie Jaren' is een van de meest humoristische hoofdstukken uit het boek. Isegawa laat zien hoe de hoofdfiguur binnen de besloten wereld van het klein-seminarie onmiddellijk weer teruggrijpt op zijn ervaringen als regelneef. Het zijn machtsspelletjes op micro-niveau. De strijd tegen het officiële gezag moet met list en beleid gevoerd worden om het leven wat aangenamer te maken. Als de Canadese pater Lageau de gelederen komt versterken, zijn de verwachtingen hooggespannen: weldra zullen de seminaristen in zijn welvaart kunnen delen! Als de vis die hij met zijn boot vangt alleen voorbestemd blijkt voor het menu van de paters, vinden er met een zekere regelmaat stroomstoringen plaats in het koelhuis. Zo komt de vis toch terecht waar hij volgens de geheimzinnige saboteurs thuishoort, namelijk op de borden van de jongens: “We kenden de westerse mentaliteit niet. Als je in Afrika geld hebt, deel je dat met mensen in je omgeving die het niet hebben. Daarom was die Lageau eerst een bijna mythische held, hij had een auto, een boot, sieraden, we gingen ervan uit dat het vanzelfsprekend was dat hij zijn rijkdom zou delen. Het was een schok om te ontdekken dat het niet zo werkte.”

De overstap naar het universitaire leven loopt uit op een desillusie: de hoofdfiguur wordt niet toegelaten tot de rechtenfaculteit terwijl hij daar wel zijn zinnen op gezet had: zijn opa had hem immers voorbestemd om rechter te worden: “Jij bent de advocaat van de familie.” Nu moet hij genoegen nemen met Sociale Wetenschappen, een compromiskeuze die hem veroordeelt tot een slechtbetaalde leraarsbaan, net als zijn vader: “Om te overleven werkte ik daarnaast als bedrijfsleider in de brouwerij van mijn tante. Alleen in de handel valt wat geld te verdienen. Na de verdrijving van Amin en de guerrilla-activiteiten die daarop volgden, werd Oeganda getroffen door een nieuwe ramp in de vorm van een geheimzinnig virus. Eerst dachten ze dat het om tovenarij ging, een vloek die te maken had met de politieke onrusten. Het heeft lang geduurd voordat het verband tussen het virus en de ziekte was gelegd en ondertussen waren er al talloze mensen, mannen, vrouwen en kinderen aan bezweken. Toen ook mijn tante aan aids overleed, zag ik geen perspectief meer en besloot ik mijn geluk in een ander land te gaan beproeven.”

'Ghettoblaster', het slothoofdstuk van Isegawa's roman, schetst een levendig beeld van de Bijlmer als het getto van list en bedrog: als de ik-figuur een paspoort wil kopen om zich een andere identiteit aan te meten, kan hij zo kiezen uit vier verschillende nationaliteiten. Een nieuw geboortebewijs wordt er voor een zacht prijsje bijgeleverd: “Het merendeel komt hiernaartoe om economische redenen”, zegt Isegawa.

“Dat weet iedereen, maar het is zelfmoord om daarmee aan te komen. Een migrant wordt gedwongen zijn verbeeldingskracht te gebruiken maar het leidt ook tot heel schizofrene situaties: je krijgt vaak de naam van iemand die officieel helemaal niet bestaat. Staat het land waar je vandaan komt als veilig bekend, dan zeg je dat je uit Soedan komt, omdat dat de kans vergroot dat je als vluchteling erkend wordt. Niemand kan echt verifiëren of jouw verhaal wel helemaal klopt. Het is daardoor ook heel moeilijk om iemands vertrouwen te winnen.”

“Iedereen is achterdochtig: misschien ben je er wel opuit om iemand te betrappen. Iedere migrant wil slagen in zijn nieuwe omgeving, maar waar hij thuis familie en vrienden had, is hij nu aangewezen op zichzelf. Hier komt het alleen op geld aan. Lukt het je niet om wat te verdienen, dan blijf je aangewezen op het getto en liggen alcohol en drugs op de loer. Volg je netjes een vakopleiding en ga je solliciteren, dan is het risico erg groot dat je steeds weer afgewezen wordt. Nee, een migrant heeft het heel erg moeilijk.”

Toch heeft Isegawa heel bewust geen boek over slachtoffers willen schrijven: “Dat zie je al zoveel in de westerse literatuur. Ik heb het anders willen aanpakken, de lezers willen confronteren met de gebeurtenissen, ze als het ware een close-up willen voorhouden. Wat ze ervan vinden is hun eigen verantwoordelijkheid. In de Bijbel vernietigen de kinderen van Israël hele dorpen omdat God dat wil. Er wordt met geen woord gerept over de gevoelens van de achterblijvers. Er is geen sentimentaliteit in de Bijbel. Het is volgens mij ook de enige manier om de gruwelijke gebeurtenissen in Afrika te beschrijven: als Afrikanen zelfmedelijden hadden, waren ze nu allemaal dood.”

mailIcon print |