Spanje is niet arm, vinden minister Zalm en Joschka Fischer, de Duitse minister van buitenlandse zaken. Zij verwerpen de Spaanse claims op de cohesiefondsen, die een heikel agendapunt vormen op de top in Berlijn, eind maart. Dat is niet terecht. Toch zal Spanje water bij de wijn moeten doen.
De cohesiefondsen werden in 1992 ingesteld om Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland in staat te stellen versneld aansluiting te krijgen bij het Europese gemiddelde. Infrastructuur en milieubescherming zouden voorrang krijgen. Wie door Spanje reist, ziet overal borden die aangeven dat een tunnel, autoweg of brug is gefinancierd met EU-geld - uit de cohesiefondsen dus. Het gaat om forse bijdragen: dit jaar staat voor Spanje ruim 2,3 miljard gulden op het spel.
Fischer en Zalm voelen zich gesterkt in hun scepsis over de Spaanse claims, doordat de Spaanse premier José Maria Aznar te pas en te onpas verkondigt dat het goed gaat met Spanje. Daar begint het eerste misverstand. Want het gaat goed met Spanje omdat het slecht ging. Geen wonder dat Aznar die boodschap uitdraagt, er staan regionale en lokale verkiezingen voor de deur. De Spaanse economie zal dit jaar met 3,5 procent groeien, een vol procentpunt boven het Europese gemiddelde. En, tenslotte, het gaat goed met Spanje omdat het een van de beste toelatingsexamens maakte voor toetreding tot de Europese monetaire unie.
Spanje is zo arm nog niet, zegt Zalm dan, denkend aan de 1,3 miljard gulden die hij op Europese uitgaven moet bezuinigen conform het paarse regeerakkoord. Maar de statistieken geven Zalm en Fischer ongelijk. Want de Spanjaard verdient gemiddeld 22 procent minder dan zijn collega's in Europese Unie.
De norm voor de cohesiefondsen was in 1992 gelegd bij 10 procent. Zou Spanje daarboven komen, dan zouden alle rechten op cohesiefondsen verloren gaan, zoals nu met Ierland het geval is. Maar Spanje heeft nog 12 procent te gaan voor het zover is.
In de aanloop naar de top van Berlijn leek de confrontatie onvermijdelijk, tussen Spanje enerzijds, en anderzijds Duitsland en Nederland, de twee grootste nettobetalers van de EU. Na het bezoek aan Madrid van Zalm, enkele weken geleden, kwam in het Nederlandse kamp 'een begin van begrip'. Na Schröders bezoek aan Aznar, afgelopen donderdag, is dat begrip verder gegroeid. De bondskanselier is er nu van overtuigd dat het Duitse voorstel, zoals dat in Berlijn op tafel komt te liggen, zelfs acceptabel voor de Spanjaarden zal zijn.
Aznar glimlacht op zo'n moment wat ongelukkig achter zijn snor en denkt 'eerst zien, dan geloven'. Want hij vreest dat hij met de noodzaak om in Berlijn te komen tot een snel akkoord over de Agenda 2000 (het totaalpakket van inkomsten en uitgaven) water in de wijn zal moeten doen.
Voordeel voor Aznar is dat zijn plan om een speciaal fonds in te stellen voor vluchtelingenhulp niet slecht is gevallen. Duitsland en Oostenrijk, maar ook Nederland, kunnen profiteren van het plan om met EU-geld een fors deel van de nationale vluchtelingenproblemen te financieren; geld dat nu nog uit de staatskassen moet komen. Dat levert dus een bezuiniging op, en Zalm heeft inmiddels onder voorwaarden ingestemd.
De Spanjaarden blijven daarom vol goede moed. Toch doet Aznar er verstandig aan de raadgevingen van landgenoot José Maria Gil-Robles, voorzitter van het Europese parlement, op te volgen. Want in Berlijn gaat het niet alleen om cohesie, maar ook om consensus. Volgens Gil-Robles kan dat slechts betekenen dat 'Spanje zal moeten leren leven met minder cohesiefondsen'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.