ALANYA 1995: Verkrachte Nederlandse vrouwen staan in de rechtszaal in Turkije tegenover hun verkrachters en met uitgestoken vinger slingeren ze de - nu - timide mannen hun beschuldigingen in het gezicht. De slachtoffers die het er levend van hadden afgebracht, uitten als getuigen de aanklacht, zij rechtten hun rug en waren totaal niet zielig. Hier geschiedde iets van gerechtigheid, een krachtmeting tussen het zelfrespect van verkrachten en de schaamte van verkrachters. Hier werden normen en waarden getoetst. Wie weten beter wat er gebeurd is dan de slachtoffers? En wie kunnen duidelijker verwoorden wat er vernietigd is dan de slachtoffers of hun nabestaanden?
Maar dit was Turkije. Een zogenaamd primitief land in onze ogen met een grote achterstand op het gebied van de rechtsbescherming van ... verdachten.
LEEUWARDEN 1998: Meindert Tjoelker is dood. Doodgeschopt. En over zijn lijk wordt een beschaafd juridisch steekspel opgevoerd. Hoe zullen we het juridisch noemen? Tja, dan hebben we een probleem. Want wie heeft wat gedaan? Voor het vervullen van de delictsomschrijving is het nodig te weten wiens schop of wat dan ook de dood ten gevolge had.
De advocaat benadrukt dat zijn rol in het spel is de kwaliteitscontrole op het systeem uit te oefenen: fouten van het Openbaar Ministerie worden meteen afgestraft. De rechter maakt duidelijk dat hij gebonden is aan wat de officier van justitie in de tenlastelegging aandraagt. En de officier probeert aan te tonen dat er niet meer in zat dan openlijke geweldpleging.
Zo zijn we niet meer getuige van het rechtdoen aan mensen, zowel aan de verdachten als aan Meindert Tjoelker en aan zijn nabestaanden. We aanschouwen een juridisch schaakspel. Bij het schaken gaat het niet om de bedoelingen, maar om de zetten. Een foutje van een speler betekent zijn einde aan het bord. In wezen zijn de advocaat en de officier in zo'n spel gewikkeld met elkaar. En de rechter past de regels van de schaakbond toe.
De verdachten zelf weten natuurlijk niet meer precies wie wat deed. Ze hadden ook wat gedronken, moet je weten. Dan weet je alles niet meer zo precies. En verder zijn het toch nette jongens die nooit eerder met justitie in aanraking zijn geweest.
Strafrecht 1998
Meindert Tjoelker is dood. Doodgeschopt. En het Nederlandse volk dat woedend is, verdrietig, bang, verbijsterd, krijgt college van hoogleraren in de theorie en de principes van het strafprocesrecht.
In ons beschaafde systeem hebben wij al lang geleden afstand gedaan van (bloed)wraak van nabestaanden van het slachtoffer, uit te oefenen op de dader. Wij hebben het slachtoffer, dan wel zijn nabestaanden verwijderd uit de rechtszaal. Namens het slachtoffer en zijn nabestaanden en eigenlijk namens de gehele gemeenschap toornt de officier van justitie tegen de verdachte en tracht hem te laten boeten ter vergelding van het gepleegde misdrijf.
Meer en meer hebben wij ons sterk gemaakt voor de rechtsbescherming van de verdachte. Wij verwijzen dan naar landen als Iran waar je zonder vorm van proces wordt opgesloten en omgebracht. In ons beschaafde land heeft een verdachte minstens achttien rechten vanaf zijn aanhouding tot zijn veroordeling. Hij moet beschermd worden tegen de autoriteiten.
Maar Meindert Tjoelker is dood. Doodgeschopt. Dat is natuurlijk wel erg, haasten wij ons te zeggen. Maar voor deze vorm van proces hebben wij gekozen.
Ordelijk
In ons land staan in een strafproces als partijen tegenover elkaar: de officier van justitie enerzijds en de verdachte (samen met zijn advocaat) anderzijds. De officier komt in de rechtszaal met de aanklacht, levert de bewijsvoering, doet mee aan de verhoren van de verdachte en eist ten slotte de straf (bijvoorbeeld celstraf) en/of een maatregel (bijvoorbeeld TBS). Het slachtoffer - of, als hij dood is, zijn nabestaanden - is er niet, speelt geen rol.
In dit geval zitten de nabestaanden, de verloofde, familie en vrienden van Meindert Tjoelker thuis. Zij lezen over het proces en de uitspraak in de krant of zien iets op het journaal, bij Nova of Paul Witteman. Er is in de rechtszaal geen stoel gereserveerd. Willen nabestaanden van het slachtoffer de zitting bijwonen, dan rest vaak slechts een plaats op de publieke tribune te midden van familie en bekenden van verdachten, die zich soms niet ontzien nabestaanden straffeloos te intimideren of te kwetsen. Bij onrust wordt de tribune op last van de president van de rechtbank ontruimd.
Ook verder gaat het bij ons heel ordelijk toe. Iedereen zit stil in ontzag voor de belangrijke mensen in toga die een hoogstaande vorm van Nederlands spreken. Deze mensen zijn hard aan het werk om de juiste formulering van het misdrijf op te sporen. Zo is het spel, zo zijn de regels en zo moet het gespeeld worden. We voelen ons er ongemakkelijk bij, maar het is als een natuurwet: onontkoombaar. Zo is het nu eenmaal.
Ten slotte hechten wij aan de anonimiteit: geen foto's, geen of nauwelijks tv-beelden en geen namen. Verdachten komen eventueel onherkenbaar in beeld.
Zo niet in het Turkse Alanya. Daar stonden de slachtoffers Hanneke Adrichem (28), Suzanne Kranenburg (26) en de moeder van de vermoorde Marijke van Dijk (31) tegenover de verkrachters Hakan Karayavuz (23), Ali Akyüz (17), Gazi Köleoglu (17) en Yusuf Caglayan (18). Hier waren twee partijen aanwezig en aan het woord. Hier werden emoties niet geweerd. Hier werd het rechtsgevoel van de burger aangesproken. Hier werd recht gedaan aan alle betrokkenen.
Slachtoffers
Toegegeven, er is tegenwoordig slachtofferhulp. Maar als je dat afzet tegen wat er voor de verdachte/dader beschikbaar komt: huisvesting, voeding en ontspanning in het huis van bewaring en de gevangenis. Reclassering en therapie tijdens en na de gevangenisstraf. En dat is goed. Dat is een vorm van beschaving.
Maar wat is er voor de nabestaanden van Meindert Tjoelker? Zij moeten zelf achter de nodige hulp aan. En met het proces hebben ze gewoon niks te maken. Hun wordt niets gevraagd. Hun stem wordt niet gehoord. Zij moeten zich wenden tot de media. Is dat de bedoeling? Moeten de media het rechtsgevoel van de burgers nog enigzins tegemoet komen?
Ik schaam me voor ons rechtssysteem. Ik bied mijn excuses aan aan Turkije voor mijn gedachten over hun primitieve rechtssysteem. Ik ben strafrechtelijk afgestudeerd in Utrecht en schaam mij voor mijn rechtenstudie. Mij is geleerd te denken dat de echte dreiging in de samenleving uitgaat van de overheid en dat de verdachte via het strafrecht daartegen beschermd moet worden. Mij is geleerd woorden op goudschaaltjes te wegen en geen aandacht te schenken aan bedoelingen die achter woorden schuilgaan. Mij is niet geleerd dat recht moet leiden tot gerechtigheid in de zin dat het mensen moet helpen hun bestemming te vinden.
Bij alle problematieken moeten alle partijen aan het woord komen. Er moet geluisterd gaan worden naar wat er in die mensen leeft, wat ze bedoelen, wat ze nodig hebben.
Ik pleit voor het benoemen van een commissie die het strafrecht grondig gaat herzien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.