KAAPSTAD - Het leek een gouden overeenkomst. In maart vorig jaar kocht Mzi Kumalo - een voormalige politieke gevangene die twaalf jaar op Robbeneiland zat - met steun van een reeks grote en kleine investeerders het honderd jaar oude JCI mijnbouwconcern, een van de grote goudproducenten in de wereld. JCI werd daarmee de eerste 'zwarte' mijnbouwgroep van Zuid-Afrika en de transactie werd dan ook algemeen toegejuicht als een grootse stap voor de invloed van de zwarte bevolking in de economie.
Nog geen jaar later is van die juichstemming niets over. Er zijn tientallen miljoenen guldens verlies geleden. De aandelen van de onderneming zijn gekelderd van omgerekend 20 gulden naar 6,50. Kumalo trad vorige week af als voorzitter van JCI. In een poging nog iets te redden, wordt het concern nu waarschijnlijk opgesplitst en in onderdelen verkocht. Een financiële klap voor de blanke en zwarte investeerders die Kumalo achter zich had verzameld, maar ook een gevoelige klap voor de zwarte machtsvorming in de economie.
Waarom JCI in zo korte tijd ten onder ging, daarover verschillen de meningen. Toen het concern Anglo-American het in maart aan Kumalo, de hoogste bieder, verkocht, was het een florerend geheel. Het bezat ondermeer de beste goudmijn van Zuid-Afrika en een reeks andere winstgevende mijnen (goud, kolen, platina, titaan). De ineenstorting van de goudprijs op de wereldmarkt het afgelopen half jaar speelde ongetwijfeld een rol. Bovendien was de prijs die Kumalo's investeringsmaatschappij moest betalen (bijna 1,2 miljard gulden, zo'n tien procent boven de marktwaarde) ook aanzienlijk en dat legde een wel heel zware last op de nieuwe onderneming.
Autoritair
Maar vrijwel iedereen is het erover eens dat de autoritaire en ondoorzichtige managmentstijl van Mzi Kumalo een doorslaggevende factor was. Hij nam cruciale beslissingen zonder toestemming van of zelfs overleg met de Raad van Toezicht. Zo dreigde hij de twee beste goudmijnen voor een te lage prijs aan Anglo terug te verkopen en kocht hij een aantal andere niet zo goed lopende ondernemingen van een concern waarin hij zelf, naar later bleek, financiële belangen had. Een aantal topmanagers van JCI liep al in de eerste maanden uit onvrede weg en het duurde niet lang of Kumalo had eveneens een conflict met zijn mede-investeerder en partner Brett Kebble.
Kumalo zelf ontkent dit soort aantijgingen. De hoofdoorzaak van de ondergang van JCI was volgens hem het gebrek aan een gezamenlijke visie. “We konden het er niet over eens worden of JCI zich moest richten op Afrika of dat het gewoon een goud-onderneming gevestigd in Johannesburg en beheerst door blanken moest blijven.” De ondertoon is duidelijk: het is een groep blanke managers en investeerders die mij, een zwarte Zuid-Afrikaan, de voet dwars zet.
De andere kant ontkent dat bij hoog en bij laag. Het is waar dat een aantal blanke investeerders in november tot actie is overgegaan wat uiteindelijk tot Kumalo's val leidde. Maar de vraag is eerder waarom de Raad van Toezicht pas toen en niet veel vroeger heeft ingegrepen. Het antwoord is waarschijnlijk: men wilde Kumalo aanvankelijk de ruimte geven om zich te bewijzen.
De gebeurtenissen zijn wel een belangrijk signaal over de stand van zaken in het proces dat moet leiden tot aanzienlijk meer zwarte invloed in de economie. Toen in 1994 Nelson Mandela president werd, realiseerde het ANC zich bijzonder goed dat het nu weliswaar de politieke macht had, maar dat de economie nog vrijwel geheel in blanke handen was. Op dat moment was er bij geen enkel bedrijf dat op de Beurs in Johannesburg genoteerd stond, sprake van enige zwarte invloed. Inmiddels is dat veranderd. Er zijn nu 45 bedrijven die geheel of gedeeltelijk onder zwarte controle staan. Ze vertegenwoordigen in waarde nog altijd minder dan 10 procent van het totaal, maar het begin is er.
De hoofdrolspelers in dit veranderingsproces zijn een handvol grote zwarte investeringsmaatschappijen die sinds 1990 zijn ontstaan zoals Thebe Investments, Real Africa Investments, New Africa Investments en Capital Alliance (van Mzi Kumalo). Ze worden geleid door mensen die nauwe banden hebben met het ANC en hun geld is, naast de gewone commerciele leningen, afkomstig van allerlei kleinere investeerders zoals zwarte vakbonden en kerkelijke organisaties waarmee ze via uiterst gecompliceerde eigendomsconctructies verbonden zijn. Deze 'nieuwe' investeerders kopen zich in 'blanke' ondernemingen in en hopen zo hun stempel op het beleid te kunnen drukken.
Twee hele grote transacties leken te bevestigen dat dit dé weg was waarlangs de zwarte invloed in de economie gestalte kon krijgen. Eerst was er in 1996 de verkoop, ook door Anglo, van het Johnic-concern aan de New Africa groep (waar ANC-topman Cyril Ramaphosa vice-voorzitter is), en in 1997 volgde de JCI-verkoop. Voor de betrokken blanke ondernemingen is dit soort transacties overigens ook gunstig. Het levert een goede naam op en vooral: die nieuwe investeerders krijgen van de ANC-regering een voorkeursbehandeling bij de verwerving van overheidsopdrachten. Dus wie mee wil delen, moet met hen in zee gaan. Vandaar ook dat de meeste van dit soort transacties plaats vinden tegen prijzen beneden de marktwaarde.
Maar het JCI-debacle heeft nu onderstreept hoe gevoelig voor tegenslag dit scenario is. Een mega-transactie is mooi als hij lukt, maar ook zeer kwalijk als hij mislukt. Bovendien is maar de vraag hoeveel echte invloed de nieuwe zwarte investeerders zich kopen. Het dagelijks managment bij veel van de betrokken bedrijven is nog altijd vrijwel volledig blank. Deels omdat er in de blanke mannelijke zakenwereld nog heel wat vooroordeel te overwinnen is. Veel bedrijven benoemen wel zwarte topfunctionarissen maar dan toch vaak op niet cruciale posten als voorlichting en personeelsbeleid. Maar er is ook het serieuze probleem dat er om voor de hand liggende historische redenen gewoon te weinig gekwalificeerde zwarte managers zijn. Daarvoor is onderwijs, opleiding en ervaring noodzakelijk, een proces van jaren. Om de weinige goede zwarte managers die er zijn, wordt inmiddels met grof geld geconcurreerd.
Zwarte elite
Zo is er ook in de economie, net als in de politiek, inmiddels een zwarte elite ontstaan die volop mee profiteert van het streven naar toenemende zwarte invloed. De exorbitante salarissen, de meest betoverende villa's, de BMW's en Mercedessen, het hoort er allemaal bij. Maar mensen als ANC-voorman en zakenman Cyril Ramaphosa beseffen wel degelijk dat dit “veroveren van de commandoposten van de Zuid-Afrikaanse economie” zoals hij het noemt, maar van beperkte waarde is. De echte slag moet, zegt hij, gewonnen worden op het niveau van het midden- en kleinbedrijf. “De groei van zwarte economische macht vindt vooral plaats in de straten van Zuid-Afrika, in geïmproviseerde werkplaatsen in Soweto, in kleine boekhoudfirma's in Mamelodi en in keukens in Mdantsane”, aldus Ramaphosa. En ook dat proces vergt vele, vele jaren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.