De school gaat ouders en leerlingen niet alleen aan het hart, de school çs er voor het hart, lijkt wel de gezamenlijke boodschap van de inzenders. In bijna alle brieven zijn passages te lezen over het belang van het welzijn van leerlingen. 'De school moet een tweede thuis zijn', 'Kinderen moeten zich er veilig voelen', 'De leraren moeten elk kind waarderen en respecteren' en 'Het moet op school gezellig zijn'.
Volgens sommige ouders en leerlingen is het welzijnsaspect van de school zelfs belangrijker dan het leren. 'Zittenblijven of slagen was voor ons geen overweging bij de schoolkeuze. Belangrijk is dat de kinderen met plezier naar school blijven gaan', schrijven ouders uit Capelle aan den IJssel. 'Een goede school is een school waar presteren en einddoel minder aandacht krijgen dan het omgaan met elkaar en de onderlinge ruimte en aandacht', stelt een moeder uit Groningen.
Sommige brievenzenders vertellen erbij hoe de school aan het welzijn van de leerlingen kan werken. Er moeten buitenschoolse activiteiten worden georganiseerd, er moet aandacht zijn voor culturele vakken en sociale vaardigheden en de leraren moeten de achtergronden van hun leerlingen kennen. Verder zijn er kleine klassen nodig en kleine scholen. En natuurlijk heeft de school een eigen gezicht, een eigen identiteit, die past bij de opvoeding thuis.
De leerlingen hebben zo hun eigen ideeen hoe hun welzijn te verbeteren. 'De aula moet gezellig zijn en je moet er lekkere dingen kunnen kopen', schrijft er een. 'Er moet een winkelcentrum naast de school staat zodat je tijdens tussenuren iets te doen hebt' en 'De school moet leerlingen een spijbelkaart geven zodat je af en toe kunt wegblijven'.
Natuurlijk vinden ouders en leerlingen ook dat de school kinderen iets moet leren, al maken niet alle brievenschrijvers dat expliciet. 'De school van onze keuze is niet te groot en leidt vanzelfsprekend naar een einddiploma. Daar is een school voor', stelt een vader uit Amersfoort. 'Een goede school helpt leerlingen een voor hen zo hoog mogelijk niveau te bereiken', schrijft een ander. 'Leerkrachten moeten niet te makkelijk zijn, maar uit het kind zien te halen wat erin zit', aldus weer een ander.
Dr. R. Bosker, als onderwijskundige werkzaam aan de Universiteit van Twente, kreeg van Trouw een lijstje voorgelegd met alle motieven voor schoolkeuze die door de inzenders zijn genoemd. Het valt hem op dat de schrijvers affectieve doelen, zoals 'de leerlingen gaan met plezier naar school' vaak concreet noemen, in tegenstelling tot de onderwijsdoelen die een school zou moeten hebben. Dus wel: de school heeft een goed systeem voor leerlingbegeleiding, maar niet waartoe dat moet leiden, bijvoorbeeld tot minder uitvallers en zittenblijvers. “Kwaliteit moet blijken, zou je zeggen”, drukt Bosker zijn verbazing uit. Anderzijds weet hij uit eigen onderzoek dat als je ouders vraagt naar schoolkeuzemotieven, ze altijd vaker processen noemen dan concrete eindresultaten.
Bosker, die betrokken is bij de ontwikkeling van de zogeheten kwaliteitskaart die de onderwijsinspectie dit najaar onder ouders zal verspreiden, is gespecialiseerd in onderzoek naar de kenmerken van zogeheten effectieve scholen. Dat zijn scholen waar leerlingen gezien het niveau waarop ze de school binnenkomen meer leren, minder blijven zitten en op een hoger niveau uitstromen dan op andere scholen. Leerlingen in de brugperiode worden op deze scholen verwezen naar een schooltype dat niet te laag, maar ook niet te hoog voor hen is, zodat ze zonder vertraging het diploma kunnen halen. Bij de pakketkeuze voor het eindexamen worden de leerlingen gestimuleerd zo te kiezen, dat ze zoveel mogelijk keuzes openhouden voor het vervolgonderwijs.
“Het gaat bij effectieve scholen om de toegevoegde waarde van de school, niet alleen om het eindresultaat”, benadrukt Bosker. Die toegevoegde waarde is pas goed te meten als bekend is op welk niveau en met welke achtergrond iedere leerling de school binnenkomt en met welk resultaat hij of zij de school weer verlaat. Zo'n meting is vooralsnog een droom, omdat de schoolloopbaan van leerlingen in Nederland niet wordt gevolgd. Daarvoor is eerst invoering van het onderwijsnummer nodig.
Effectieve scholen doen het op drie terreinen goed: De school is goed georganiseerd, het beschikbare geld wordt volledig ingezet om het onderwijs te optimaliseren en er werken goede docenten. Tot grote tevredenheid van Bosker noemen veel inzenders criteria die hieraan verwant zijn. Er wordt blijkbaar naar effectieve scholen gezocht. De organisatie van een effectieve school is te herkennen aan duidelijke onderwijsdoelen. De doelstelling 'de leerling leert zelfstandig werken' heeft weinig betekenis als niet duidelijk is hoe de school dat wil bereiken. Er moet dus bijvoorbeeld zijn vastgelegd dat er veel projectmatig wordt gewerkt. Welke doelen een school kiest, is niet zo van belang, als ze maar zijn gericht op het schoolse leren en presteren. Zelfstandig werken is dus niet per definitie beter dan klassikaal werken. Veel belangrijker is dat het docententeam ervan doordrongen is dat het leren is bedoeld om de leerlingen op een zo hoog mogelijk niveau examen te laten doen.
De affectieve doelen die door veel brievenschijvers zijn opgeschreven, zoals 'de school zorgt voor de persoonlijke ontplooiing van elke leerling', hebben geen invloed op de effectiviteit van het onderwijs, aldus Bosker. Daarmee wil hij niet zeggen dat ouders die doelen opzij moeten zetten. Ze komen alleen bovenop de criteria die voor effectieve scholen gelden. Dat geldt ook voor de pedagogische of levensbeschouwelijke visie van een school. Welke visie er wordt gehanteerd doet er niet toe, als er maar aan goede schoolresultaten wordt gewerkt, blijkt uit het onderzoek naar effectieve scholen.
Ook is het onbelangrijk of leerlingen veel of weinig creatieve vakken krijgen aangeboden en of het gezellig is op school. Bosker: “Er is op dat gebied erg veel onderzoek gedaan, ook in het buitenland, en het blijkt dat alle scholen sfeervol en gezellig zijn. Als een leerling eenmaal op school zit, dan vindt-ie het er altijd gezellig en hun ouders noemen de sfeer altijd goed. Scholen onderscheiden zich nauwelijks op dit terrein. Dus ouders die alleen op basis van dit criterium een school zoeken, richten zich niet op het vinden van een effectieve school.” En hoe zit het dan met de redenering dat als de sfeer op school goed is, de prestaties dat vanzelf ook zijn? “Die redenering zou ik omdraaien, zegt Bosker. “Als de prestaties goed zijn, is de sfeer op school dat ook.”
Alleen als ouders met een goede sfeer bedoelen dat er op school een ordelijk en veilig klimaat moet heersen, hebben ze gelijk, volgens het effectiviteitsonderzoek. Bosker: “Er is een schoolcultuur nodig van rust, om te kunnen leren en om je te kunnen concentreren. Dat betekent dat de leerlingen bij iemand terecht kunnen als ze problemen hebben, maar ook dat de lessen niet onnodig worden gestoord.” Bosker vindt het dan ook niet zo gek dat laatkomers in de aula moeten wachten tot de volgende les. Een van de brievenschrijvers noemt dit als voorbeeld van onjuist ordebeleid.
De docenten op een effectieve school werken intensief samen om de doelstellingen van de school te realiseren. Ze hebben afspraken gemaakt over de inhoud van het onderwijs, het beoordelen van proefwerken en de omgang met leerlingen. Een docent is dus geen 'koning in eigen klaslokaal'. Ook niet als het om gedragsregels gaat. Er mogen wel jassen de klas in of niet, maar dat geldt dan wel voor elke klas. En als een leerling te laat komt, is de straf in elke klas hetzelfde. Bij leerlingen leven dit soort regels sterk. 'Mobiele telfoons moeten zijn toegestaan, buzzers ook en kauwgom alleen als je het niet aan de muur plakt. Alcohol en drugs mogen niet', schrijft een leerling van het College Beroepsonderwijs in Amsterdam.
De docenten op een effectieve school hebben hoge verwachtingen van de leerlingen, ongeacht hun achtergrond. Vandaar dat Bosker de door sommige brievenschrijvers genoemde criteria, zoals 'de leraren kennen de achtergronden van hun leerlingen' afwijst. “Het is misschien zelfs beter als ze daar helemaal niets van weten. Want dat kan ertoe leiden dat een kind waarvan de ouders net gescheiden zijn per definitie een half jaar niets hoeft te doen. Dan stel je dus van tevoren vast dat het met dat kind dat jaar mis zal gaan. Dat lijkt me niet gewenst.”
Op een effectieve school werken docenten ook aan zichzelf om de doelstellingen van de school te realiseren. Ze doen aan nascholing, niet alleen om een betere vakdocent te worden, maar vooral om een betere leerlingbegeleider te zijn. En ze evalueren hun onderwijs, individueel en gezamenlijk, zodat ze voortdurend weten hoe leerlingen en klassen presteren. Door op die manier aan kwaliteitszorg te doen, weet het docententeam op een effectieve school de prestaties van alle leerlingen op peil te houden.
Ouders en leerlingen die kleine klassen zoeken omdat ze daarvan beter onderwijs verwachten, krijgen van Bosker slechts gedeeltelijk gelijk. “Als ze daarmee bedoelen dat de school het beschikbare geld zoveel mogelijk aan onderwijspersoneel moeten uitgeven, dan ben ik het met hen eens. Scholen die dat doen, halen meer uit hun leerlingen. Maar kleine klassen of kleine scholen zijn op zichzelf geen voorwaarde voor effectief onderwijs”, stelt Bosker, die lid was van de commissie die staatssecretaris Netelenbos adviseerde over het verkleinen van de klassen in het basisonderwijs. “In het basisonderwijs speelt dat wel, maar als het om het voortgezet onderwijs gaat, hebben we daarvoor geen enkele aanwijzing, ook niet uit buitenlands onderzoek. Waar het om gaat, is hoeveel leraren er per leerling zijn. Of die nu voor de klas worden gezet of een functie hebben als decaan of leerlingenbegeleider maakt voor de effectiviteit van de school niet uit.”
Het allerbelangrijkste voor een effectieve school is goede leraren, zegt Bosker. Zo blijkt dat een school het beter doet als de docenten ervaren zijn. Een jong team, zoals een van de brievenschrijvers als voorwaarde voor een goede school naar voren schuift, staat daar haaks op.
Hoe vind je nu zo'n effectieve school? “Het zou het mooiste zijn als elke school wordt doorgelicht en dat de resultaten daarvan openbaar worden gemaakt”, vindt Bosker. Zoiets als in het hoger onderwijs dus, waar de opleidingen zichzelf evalueren en er vervolgens een onafhankelijke commissie langskomt om de uitkomst te controleren. Dat zou wel een flinke intensivering betekenen van de manier waarop de onderwijsinspectie nu de kwaliteit op scholen bewaakt: gemiddeld eens in de twee jaar wordt een school door een onderwijsinspecteur bezocht om op een deelterrein kwaliteitsonderzoek te doen. Dat komt omdat de inspectie vooral als doel heeft, de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen in de gaten houden, niet zozeer die op afzonderlijke scholen.
Nu er geen systematisch en openbaar kwaliteitsonderzoek op scholen wordt gedaan, zullen ouders en leerlingen daar zelf een vorm voor moeten vinden. Bosker wijst op de schoolgids, die scholen binnenkort moeten verstrekken. Daarin staan onder meer gegevens over de doelstellingen van de school. Ook het bezoeken van open dagen helpt, al doen sommige scholen erg hun best ouders met reclamepraatjes om de tuin te leiden, zoals enkele brievenschrijvers melden. Bosker: “Op open dagen kun je kijken naar het enthousiasme van de docenten. Hoe praten ze over leerlingen? Hoe gaan ze met de leerlingen om? Praten ze over hun hoofden heen met de ouders, of praten ze tegen de leerlingen zelf? En hoe praten ze over de school? Is daaruit af te leiden hoe doordacht de organisatie van de school in elkaar steekt?”
Harde cijfers, zoals slagingspercentages, gerelateerd aan de percentages zittenblijvers en uitvallers, zijn ook een indicatie, volgens Bosker. Omdat deze wel moeten worden bekeken ten opzichte van het niveau waarop de leerlingen de school binnenstromen, is het interpreteren ervan voor ouders echter niet eenvoudig. Wellicht moeten ouders vooral gespitst zijn op fluctuaties in de cijfers van jaar tot jaar. Tenslotte is uit het effectieve scholenonderzoek bekend dat het onderwijs beter is als docenten en schoolleiding de prestaties van leerlingen goed in de gaten houden, zodat ze daar tijdig op kunnen reageren. Plotselinge schommelingen in de cijfers zijn daarmee in strijd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.