Vanuit Nederland gezien lijkt Amerika een land van bekrompen morele dwergen en de president van de VS een armzalige schlemiel die wij met z'n allen van de brandstapel zouden willen redden. Daarom zijn de Nederlandse reacties op de vermeende escapades van Bill Clinton overwegend positief.
Moet kunnen, toch! Want moet je de publieke functie niet strikt scheiden van het privé-leven? Unaniem staan wij op om de mediaklopjacht op die arme president te veroordelen. Wij geven hem alle ruimte om zijn seksuele behoeften op zijn eigen manier te bevredigen. Het is, aldus hoogleraar medische ethiek H. Dupuis gisteren in de Volkskrant, een doodgewone kwestie van een teveel aan hormonen die machtige mannen op topposities altijd parten spelen: “Het is hypocriet en tragisch dat de Amerikaanse pers zich hier zo op werpt.”
Intussen kun je geen Nederlandse krant openslaan, geen radio- of televisiestation aanzetten zonder onder een lawine aan pikante details te worden bedolven. Wij zijn er misschien tegen, maar willen wel van die vette modder blijven proeven. Dankzij die hypocriete Amerikaanse pers weten wij meer over de bedgeheimen van de machtigste man ter wereld dan hij ooit, ondanks zijn CIA en FBI, over de onze te weten zal komen.
Gisteren las ik in een krant hoe een minnares van Clinton uit zijn oval office sloop: “Met haar blouse half open, haar in de war, een rode blos op het gezicht en over haar mond uitgesmeerde lippenstift.” Zo hoort een minnares inderdaad uit het kantoor van haar broodheer te sluipen. Op de voorpagina van hetzelfde dagblad ontvouwde een huiscolumnist zijn eigen visie op wat er in het oval office zou kunnen zijn gebeurd: “Eunk, oeh, eunk, oeh... niet storen! Hoei, boei... ik kom, ik kom! Heerlijk.”
In Nederland gaan wij inderdaad veel voorzichtiger te werk met het openbaren van details uit het privé-leven van publieke figuren. Neem nou de dood van publicist en hoogleraar Piet Vroon. Kort voor zijn dood was hij in een diepe depressie getuimeld. Volgens de journalisten die hem hadden bezocht was Piet Vroon praktisch krankjorum geworden. Een man in de war, die al bezig was afscheid van het leven te nemen. De journalisten waren zo geschrokken van het spektakel dat ze bij Vroon voorgeschoteld hadden gekregen dat ze van het publiceren van hun stukken hadden afgezien. Netjes toch? Maar nu, nog geen tien dagen na zijn dood, worden die stukken met een totaal andere draai als de bliksem alsnog in de weekbladen geplaatst. Vrij Nederland gaat zelfs zo ver om, heel ongebruikelijk, met een foto van Piet Vroon te adverteren. In dit blad krijgen vooral de details die de onstabiliteit van de hoogleraar onderstrepen de volle aandacht. Tranen, woede-uitbarstingen, wartaal; niets wordt ons bespaard. In de Groene Amsterdammer schuift een uitgeputte en paranoïde Piet Vroon door ons beeld. Die bijdragen vormen geen liefdevol afscheid, maar zijn staaltjes van voyeurisme.
Ik las ze en voelde me een pottenkijker, een onbeschaamde afnemer van verboden materiaal. En toch werd ik er door gefascineerd en had ik ze voor geen goud willen missen. Wie ben ik dan om de Amerikaanse pers te veroordelen? Wat is het verschil tussen een kijkje nemen in een Culemborgse huiskamer van een suïcidale hoogleraar en het oval office van een overspelige president? Dat is er niet, vrees ik.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.