Je kunt honderd keer roepen dat er bij mist te hard gereden wordt - en hoe vaak hebben we dat al niet gedaan? - de les van gisteren is dat we ons telkens opnieuw laten verrassen. Kennelijk zijn slechts weinigen in staat om als het gedurende een langere tijd niet mistig is geweest, de gevaren in te schatten van de plotseling weer opdoemende mistgoden. En paradoxaal genoeg leveren die weinigen vaak weer een bijdrage aan de optredende chaos: niet zelden zijn zij voor de hardrijders een obstakel.
Het is daarom triest om het te moeten vaststellen, maar zolang een samenleving niet bereid is om zichzelf ingrijpende beperkingen op te leggen, zullen zich in mistsituaties rampen blijven voltrekken. De enige manier daaraan te ontsnappen lijkt te zijn de automobilist van buiten tot de orde te roepen. Te denken valt aan een snelheidsbegrenzer die bij mist automatisch in werking treedt, aan draconische snelheidsbeperkingen, of zelfs aan het sluiten van de snelweg, zoals we het ook doodnormaal vinden dat een vliegveld bij mist wordt gesloten.
Het zijn echter maatregelen die haaks staan op het vrijheidsideaal van de automobilist en vermoedelijk om die reden onhaalbaar zijn. Rest de schrale troost dat op jaarbasis het aantal 'mistdoden' niet groot is en de wetenschap dat als het om de verkeersveiligheid gaat, de samenleving heel goed in staat is het aantal verkeersdoden wél drastisch te beperken.
De schande is dat juist dat niet gebeurt. Jaarlijks sterven in Nederland 1300 mensen in het verkeer en raken meer dan vijftigduizend mensen gewond, ernstig gewond vaak met een handicap voor het leven. Nochtans constateerde Pieter van Vollenhoven, voorzitter van de inmiddels opgeheven (!) Raad voor de verkeersveiligheid, onlangs in Trouw dat de aandacht voor dit onderwerp ernstig verslapt. Overheden hebben andere prioriteiten en beschouwen die 1300 kennelijk ook als een ramp in de mist.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.