Nog te horen Enschede Muziekcentrum 21 febr., Radio 4, 22 febr. en in R'dam Doelen 23 febr.
Het werk heeft niet de vorm van een symfonie maar van een liederen cyclus. De elf teksten van onder meer Rilke, Lorca en Apollinaire, in het Russisch gezongen, gaan alle over de dood. “Ik protesteer niet tegen de dood maar tegen de beulen die mensen ombrengen . . .” heeft de componist daarover gezegd. Sindsdien is de praktische zinloosheid van zo'n protest even sterk toegenomen, als de bewondering voor het meesterschap waarmee Sjostakovitsj er muzikale gestalte aan gaf. Dat komt echter pas volledig tot zijn recht in een even meesterlijke uitvoering. Aan de kwaliteit van het orkestrale aandeel mankeerde zondag niets.
Dat daarmee meermalen de zangstemmen werden 'overgalmd', lag ook minder aan het uitbundige enthousiasme van dirigent Lev Markiz dan aan de helaas maar voor de helft met publiek gevulde zaal. De bas Nikita Storojev kon overigens moeilijk worden overstemd. Met zijn kolossaal volumineus geluid bracht hij nauwelijks nuances in dynamiek en kleuring aan in de voordracht; dat kwam wel goed van pas in zijn topprestatie: een realistische vertolking van de keiharde scheldpartij in het kozakkenlied (nr. 8).
De Armeense sopraan Araxia Davlian bewees over meer tekstbegrip te beschikken, hoewel ook zij te vaak vergat dat zij geen opera-aria's maar liederen moest vertolken.
Van Verbey
De dood speelt ook de hoofdrol in Moessorgski's 'Liederen en dansen van de dood'. Die liederen zijn voor lage zangstem en piano gecomponeerd, en ook al door (onder velen) Sjostakovitsj voor orkest geïnstrumenteerd. Op verzoek maakte Theo Verbey een nieuwe instrumentatie naar maat voor Nieuw Sinfonietta Amsterdam, die zondagavond voor het eerst werd uitgevoerd.
Verbey zette het licht van zijn befaamde instrumentatiekunst nogal ver onder de korenmaat; hij leverde 'in overeenstemming met de schrale, lage en kale pianozetting van Moessorgski' een onopvallende, dienende partituur. Die stak nu wel erg sterk (in gunstige zin) af bij de vertolking van de zangpartij, waarin de bas Storojev met een onveranderlijk holle klankkleur alleen maar hard of minder hard zong.
Het openingswerk van het programma, Gija Kantsjeli's Largo en Allegro voor orkest (eind 1960) straalt een verdrietige sfeer uit; althans in het eerste deel met zijn zoet-schrijnende melodiek. In deel 2 slaat de nu 59-jarige Georgische componist een toon aan die iets heeft van het laatste deel van Honeggers Tweede symfonie. Maar het ontpopt zich toch nog een boeiend stuk met een eigen karakter. Dat kwam ook door de verbluffend goede vertolking, helemaal 'Markiz en zijn Sinfonietta'; deze opening van het concert zal mij het langst bijblijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.