AMSTERDAM - Een zaterdagavond in december. De twaalf jonge uitverkorenen die de auditie van Toneelgroep Amsterdam doorstonden, repeteren in de ruimte naast de Amsterdamse Stadsschouwburg. Tot acht uur mogen ze nog drummen, gitaar en saxofoon spelen. De schouwburggong weerklinkt, iemand komt vertellen dat achter de repetitiemuur 'Zinsbegoocheling' begint, waardoor de instrumenten met rust moeten worden gelaten. Nu komt het op woord, motoriek en gebaar aan.
Acteur Hein van der Heijden is sinds acht jaar aan Toneelgroep Amsterdam verbonden, en debuteert nu als regisseur met het stuk 'Herkules' van Oscar van Woensel. Ruim 150 jongeren, hoofdzakelijk meisjes, tussen de 16 en 21 jaar kwamen op de auditie af. Zoals vorig jaar de jongerenvoorstelling 'Magic!!!' aan 'Zinsbegoocheling' voorafging, gaat de jonge 'Herkules' nu voor aan de TGA-productie 'Herakles', die 22 januari onder regie van Titus Muizelaar in première gaat. De selectie nam van vrijdag tot zondagavond in beslag, en bevatte eigen of aangeleverde tekst die achtereenvolgens kwaad, verdrietig, neutraal en vrolijk moest worden voorgedragen, en 'simpele opdrachten' als: je loopt over straat en je ziet een briefje van honderd liggen.
De meerderheid van de jonge TGA-acteurs zit nog op de middelbare school, waardoor de repetities alleen in de herfst- en kerstvakantie en in de weekeinden konden plaatsvinden. In de repetitiezaal wemelt het van de koffiekannen, literflessen bronwater en zakken chips. De jonge TGA-spelers sliertebakken wat langs de muren, totdat de regisseur de lantaarnscène aankondigt. Of nee, toch eerst de Engelse scène met meteen daarna de lerarenscène.
Met tactische en lichtjes bezwerende opmerkingen moet Van der Heijden een massale en steeds de kop op duikende slappe lach zien te onderdrukken: er wordt duchtig met een gitaarsnoer geklooid, een rij stoelen valt om. “Jongens, jongens, wat gebeurt er toch allemaal?” Ondanks z'n debuut loopt Van der Heijden als een doorgewinterde regisseur heen en weer. De armen regelmatig om de schouders gedrapeerd, dan weer met de linkerhand troost in de nek zoekend; soms priemen twee wijsvingers naar de kern van de scène.
In een woeste worstelpartij krijgt een meisje een vinger van een medespeler in het oog. “Dat moet echt veel rustiger hoor!” besluit ze ter plekke als regie-aanwijzing. De regisseur is niet onder de indruk: “Rustig aan jongens. Dat kan gebeuren.”
Als de Hera-vertolkster onbedoeld in een slappe lach verstrikt raakt, overweegt hij om die in de scène te houden. Om duidelijk te maken dat de spelers niet meer binnenshuis maar in de Griekse velden zijn, verordon-neert Van der Heijden: “We zijn nu bij de herders, dus gaan we allemaal vogeltjes doen.” Prompt tsjilpen, kwinkeleren, oehoe-en alle spelers naar eigen ornithologisch vermogen. En weer corrigeert de regisseur: “Nee, geen kikkers! En niet te veel papegaaien! Het is geen dierentuin.” Hij toomt de volière in door drie spelers als 'vogeltjes' aan te wijzen. Het schapengemekker mag blijven.
Ook theatraal donker is onder Van der Heijdens straffe regie donker: tijdens de improvisatie van de 'dark-room-scène' dooft het licht tot de lichtjes van de kerstboom aan toe. De 'dark-roomscène' is pikdonker, en moet een Griekse orgie verbeelden. Liggend op de grond hijgen, zuchten, puffen en kreunen de spelers er als een kudde krolse katers op los totdat het licht weer aangaat en Van der Heijden z'n oordeel velt: “Het moet geen kussengevecht zijn hè, het is een orgie!”
Weer golft een meerkelige lach door de repetitieruimte als een speler in blauwsatijnen legging en ontblote borst de plankieren van de Olympos beklimt. 'Apollo hier!' roept hij tekstvast. Spelers en regisseurs weten beter: 'Dat is geen god, dat is Mowgli!'
Vrijwel moeiteloos verandert Van der Heijden een rommelige dialoog tussen Herakles en Pallas Athene in een heldere scène die staat. Pallas Athene liep eerst met een lantaarn rond te zwalken, waardoor je niet begreep wat ze tegen wie zei. In de tweede versie - Herkules is frontaal zaal gedirigeerd en moet net als Pallas Athene blijven stilstaan - begrijp je in één oogopslag waarom Pallas Athene langskomt en Herkules letterlijk en figuurlijk bijlicht, alvorens via haarspeldbochten in het donker af te gaan.
Maar ook al zit de tekst er bij de spelers in - de voorstelling is er nog niet. Samen met dramaturg Janine Brogt moet Van der Heijden de tekst van tweeëneenhalf uur nog naar hooguit anderhalf uur terugbrengen, dus 'darlings killen', de hoofdlijnen handhaven en de juiste informatie op de juiste plek brengen. Vanaf het begin stonden voor hem de twaalf werken die Herkules/Herakles moet verrichten centraal, al zijn ze niet alle twaalf op de planken te zien. Ook de hoofdrol zelf splitste hij op: in vijf (vrouwelijke en mannelijke) Herkulessen. Niet zozeer omdat alle twaalf acteurs Herkules wilden spelen, eerder omdat 'een held in iedereen zit'. En met een wisseltruc van pet of harnas (Herkules draagt steeds een leeuwenmantel) blijft hij herkenbaar.
Hein van der Heijden: “In deze voorstelling is Herkules een ouderwetse, Griekse held. En toch ook een 'hero of the people'. Wat is een hedendaagse held? Heldendom en jongeren en popsterren horen bij elkaar. In zekere zin is Patrick Kluivert een held van deze tijd. Ik hoop dat duidelijk wordt dat helden niet alleen goede, maar ook slechte dingen doen. Het toppunt van gewelddadigheid is dat Herkules, overmand door verstandsverbijstering, z'n eigen kinderen doodt. Een held heeft ook een voorbeeldfunctie; Herkules wordt zwaar gestraft. Zoals de officier van justitie zegt:
“Herakles is een voorbeeld voor velen. / Zijn fans willen net zo groot / Net zo mooi en sterk zijn als hij / Moeten zijn fans hem navolgen / Hij heeft een respectabel burger / Een wijs inwoner van Thebe / Zonder enige aanwijsbare rede / Wreed de hersens ingeslagen met zijn lier / Moeten zijn fans hem na gaan doen / Moeten ook zij hun leraren afslachten om niets / Moeten wij toestaan dat drift zomaar de rede opzij / kan schuiven en de macht kan overnemen?”
Herkules komt, weliswaar aangespoord door de jaloerse Hera, steeds in de val van zijn drift terecht. Van der Heijden: “Vanwege zijn heldhaftigheid en populariteit denkt hij zichzelf ook buiten de wet te kunnen plaatsen.”
Tijdens de repetities met de jonge en ongeoefende spelers viel Van der Heijden de enorme energie op, “gecombineerd met een volkomen gebrek aan concentratie. Dat is ook vrij logisch, want de meesten zitten op school - er zat steeds weer een hele week tussen de repetities in. Als regisseur moet je hun de rol niet opleggen, zij moeten zich zo prettig mogelijk in de rol voelen. Alle twaalf hebben goede tekstkennis, gaandeweg verminderde de gêne - ze durven elkaar vast te pakken. En opvallend genoeg waren er weinig maniertjes. Ze hebben iets puurs; als het goed gaat zijn het ongeslepen diamantjes.”
Van der Heijden viel niet in de regisseursvalkuil om veel voor te doen. “Af en toe was ik de foute leraar, maar toch ook de aardige leraar. Er waren avonden dat ik 'Koppen dicht!' moest roepen. Soms was ik na een weekend gesloopt.” Hij gaf de eigen creativiteit van de spelers ruim baan. Op een avond is hij zelfs weggegaan om ze zelf een oplossing te laten zoeken. De volgende dag bleek er een 'vrolijke puinhoop' te zijn ontstaan, waaruit spelers en regisseur weer verder konden. Behalve in leeftijd wisselt de groep in het verlangen naar ambitie: een paar zijn door de Toneelschool afgewezen, anderen vinden de voorstelling 'aardig om te doen' om daarna een studie te hervatten, vier of vijf spelers van het twaalftal zijn volgens de regisseur vastberaden om het vak in te gaan. “Hoe dan ook: ze hebben een goede tijd. Ze krijgen séjours, spraaklessen, training, een eigen theater. De grootste klap zal komen als alles voorbij is.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.