*

 
dossier

Archief

Trouw tot in de moord oftewel: de mythe van de fatsoenlijke Wehrmacht

WIM BOEVINK − 23/03/95, 00:00

'Vernichtungskrieg. Verbrechen der Wehrmacht, 1941-1944.' Tentoonstelling in Kulturzentrum Kampnagel, Hamburg. Tot 15 april, daarna in Berlijn, Potsdam en Wenen.

Al die jaren is het imago overeind gebleven, de huidige Bundeswehr nam bij zijn oprichting in 1956 zelfs het symbool van zijn voorganger - het IJzeren Kruis - over. Het Duitse leger onder Hitler was een leger dat door de nazi's was misbruikt, dat aan de nazi-misdaden nimmer had deelgenomen, dat van de holocaust niets geweten had. Zo ook stond het in de apologie die in '45 voor het tribunaal in Neurenberg door een groep Duitse generaals was opgesteld - een geschrift dat in Duitsland alom erkenning kreeg.

In die fabriekshal in Hamburg loopt dat beeld vijf decennia later stuk: documenten, dagboekaantekeningen, veldpostbrieven, foto's, kiekjes en filmmateriaal leggen een andere werkelijkheid bloot - zo gruwelijk dat de bezoeker na afloop duizelend de hal verlaat.

In drie operatieterreinen kan de bezoeker de Wehrmacht op zijn 'zegetocht' door het oosten volgen: door Servië tussen april en november 1941; met het roemruchte Zesde Leger tussen juni en december '41 onderweg naar Stalingrad; en door Wit-Rusland tussen '41 en '44.

Men zou kunnen zeggen, een voorbeeldige steekproef. En wat ziet hij? Een lange treurige opsomming van moorden, moorden en nog eens moorden. De triomftocht van het Duitse leger - dat was het toen nog - is gelardeerd met schavotten, galgen en massagraven. Hier is geen sprake meer van excessen. Hier is het exces tot systeem verheven.

Hannes Heer, als historicus verbonden aan het Hamburgs instituut voor sociaal onderzoek en mede-initiator van de tentoonstelling, zegt dat er amper nieuw materiaal getoond wordt. Alleen is het nooit zo systematisch bij elkaar gebracht. Voor hemzelf leverde het onderzoek, waarbij ook gebruik gemaakt werd van archieven in Moskou, twee belangrijke bevindingen op. Ten eerste dat de Wehrmacht actief deelnam aan de holocaust en dat niet alleen de SS en de SD 'het vuile werk' opknapten. Ten tweede dat de zogenaamde partizanenoorlog een voorwendsel was voor grootscheepse moordpartijen tegen de burgerbevolking. Het motto dat een jood een partizaan was en een partizaan een jood opende de weg naar onbegrensde wreedheden.

Was de werking van de nazi-ideologie zo sterk dat zelfs de Wehrmacht tot in de onderste regionen ervan doordrenkt was?

Heer: “Ik geloof niet dat het geweld zich zo direct laat verklaren. Duitsland was na de eerste wereldoorlog in een maatschappelijke chaos beland. Als grote macht had het afgedaan, in Versailles werd het vernederd. De ongelooflijke bereidheid zich middels geweld een nieuwe toekomst te verschaffen werd door de nazi's gesanctioneerd, aangewakkerd. De vijanden werden met naam genoemd: de bolsjewieken, de joden.”

“De bevelen die Hitler via het opperbevel deed uitgaan waren in feite niet militair, ze bevatten een tweeledige boodschap. De eerste luidde: je moet... De tweede: je mag... Met de tweede aansporing werd de weg geopend om ongestraft vrouwen en kinderen dood te schieten, om gruweldaden te begaan in naam van het vaderland. Het paste in Hitlers concept van de totale vernietiging dat Wehrmacht-soldaten verder gingen dan hun dienstorders. Op 19 mei 1941 werd de vrijbrief om te moorden formeel: leden van de Wehrmacht hoefden geen gerechtelijke vervolging te vrezen wegens hun optreden tegen de burgerbevolking.”

Waar dat toe leidde laat het voorbeeld van Wit-Rusland zien, dat goeddeels door Duitse militairen werd bestuurd en dat van alle Sovjetrepublieken het langst onder de nazi-bezetting moest lijden. Van de 10,2 miljoen inwoners verloren 2,6 miljoen het leven.

De Duitse publieke opinie wilde er lange tijd niets van weten. Nog steeds is de weerstand tegen de uitspraken van de tentoonstelling en de begeleidende essaybundel 'Vernichtungskrieg, Verbrechen der Wehrmacht, 1941-1944' duidelijk voelbaar.

Heer: “Interessant zijn de reacties van de rechts-conservatieve media. De Springer-krant Die Welt besprak de expositie in een eerste artikel ronduit positief, kwam toen met een tweede artikel, een 'nuancering', en vervolgens met een stuk dat de expositie kraakte. Daaraan kan men de onzekerheid aflezen. De Frankfurter Allgemeine stuurde bij de opening een stagiair, bedacht zich later, en zal nu wel een zwaargewicht sturen .”

Ook van de zijde van de Bundeswehr bleef tot nog toe elke reactie uit: men zit duidelijk met de zaak in zijn maag, juist nu internationaal weer om de inzet van Duitse soldaten gevraagd wordt. Gesmukt met het kruis van de Wehrmacht of erdoor bezoedeld?

De Wehrmacht nam in de zomer en herfst van '41 samen met de SS en SD, en met Baltische en Oekraïense hulptroepen, deel aan de massamoord op de joden, nog voordat in Auschwitz de crematoria rookten. Maar er was nog een grote misdaad waaraan de Wehrmacht schuldig was: de behandeling van Sovjet-krijgsgevangenen. Van de 5,7 miljoen krijgsgevangenen kwamen er 3,3 miljoen om het leven, door executies, maar vooral door uitputting en honger. Van die 3,3 miljoen slachtoffers stierven er 2,2 miljoen al in de eerste maanden van hun gevangenschap. Uit de militaire operatieplannen blijkt waarom. Bewust was afgezien van voorzieningen om gevangenen naar kampen te transporteren: ze moesten in uitputtende dagenlange marsen te voet hun kampen bereiken. Die kampen bestonden veelal slechts uit een stuk open veld met prikkeldraad omgeven, waar de gevangenen waren blootgesteld aan ijzige koude of verzengend zonlicht. Bovendien werd hen voedsel onthouden, zodat ze ellendig krepeerden.

In de tentoonstelling is ook daarvan iets te zien, hoofdzakelijk op kiekjes met van die kartelranden. Gedode of gevangen genomen Wehrmachtsoldaten droegen ze bij zich, als herinnering voor thuis . In de ogen van de makers waren het niet veel meer dan toeristische snapshots: Zie Karl-Heinz eens dollen met die ouwe jood, zie eens hoeveel plezier de jongens hebben als ze hem zijn grijze baard afknippen! Of kijk eens hoe de partizanen aan de hoge gietijzeren lantaarnpalen zijn opgeknoopt. Bijschrift uit een veldpostbrief, gedateerd augustus '41: 'Vandaag was er een record! Vanochtend hebben we in Belgrado 122 communisten en joden doodgeschoten.'

Op weg naar Stalingrad waar het Zesde Leger zo 'heroïsch' zou ondergaan, stoppen we op 7 augustus 1941 even op de marktplaats van Shitomir. Daar worden twee partizanen opgehangen, de foto's tonen het uitgebreid. De tekst bevat een ooggetuigeverslag: 'De toekijkende soldaten brulden 'langzaam, langzaam' om beter te kunnen fotograferen.'

Waarom komt de ontluistering van de Wehrmacht zo laat?

Heer: “Van de ruim zestig miljoen Duitsers destijds zaten er tien miljoen in de Wehrmacht. Van elke familie was dus wel een vader, een broer, een zwager of een oom bij acties van de Wehrmacht betrokken. Na de oorlog heerste een consensus om over deze episode te zwijgen. Konrad Adenauer sprak nog in '51 van de eervolle Wehrmacht. Maar ook de westelijke geallieerden hadden er geen belang bij het Duitse leger in diskrediet te brengen. In de koude oorlog hadden ze een Bundeswehr nodig, die noodzakelijkerwijs uit elementen van de Wehrmacht moest worden opgebouwd. Pas nu, nu het verzet tegen het aantasten van het traditionele beeld van de Wehrmacht langzaam aan wegebt en de betrokken generatie aan het uitsterven is, pas nu durven we in de afgrond te kijken. Dat dat zo lang geduurd heeft, bewijst voor mij alleen maar hoe diep die afgrond is.”

Uit een met de veldpost verstuurde brief van Wehrmachtsoldaat Franzl uit Tarnopol in de Oekraine, gedateerd 6 juli 1941:

'De wraak volgde meteen. Gisteren toonden we samen met de SS nog genade, want elke jood die we te pakken kregen werd meteen doodgeschoten. Vandaag is dat anders, want er werden zestig kameraden verminkt aangetroffen. Nu moeten de joden de lijken uit de kelder naar boven dragen, netjes neerleggen, en dan worden hun schanddaden getoond. Na de bezichting van de slachtoffers worden ze met knuppels en scheppen doodgeslagen. tot nu toe hebben we ongeveer duizend joden om zeep geholpen, maar dat is veel te weinig voor wat ze gedaan hebben.'

Een dagboekaantekening van korporaal Richard Heidenreich, 354. Infanterieregiment, Krupka, Wit-Rusland, 1941:

'Er waren ongeveer duizend joden in het dorp Krupka en deze moesten allemaal vandaag worden doodgeschoten. Toen we bij het moeras aankwamen kregen ze het bevel te gaan zitten, met hun gezicht in de richting van waaruit ze gekomen waren. Vijftig meter verderop was een diepe kuil vol water. De eerste tien moesten naast die kuil gaan staan en zich tot hun middel uitkleden. Daarna moesten ze de kuil in en wij stonden aan de rand te wachten om ze dood te schieten. Bij ons stonden een Luitenant en een sergeant-majoor. Er vielen tien schoten, tien joden waren neergeknald. Dit ging zo door todat ze allemaal geelimineerd waren. Er waren er maar een paar die niet in paniek raakten. De kinderen klampten zich aan hun moeders vast, de vrouwen aan hun mannen. Ik zal die aanblik niet snel vergeten'.

mailIcon print |