*

 
dossier

Archief

Terugkeer naar Bosnië splijt de familie Garibovic

KRISTA KROON; RITA VAN VEEN − 29/01/96, 00:00

AMSTERDAM - Het moet een riant huis zijn, daar in het bergdorp Kozaraç. Op het fotootje dat keurig ingelijst aan de muur hangt, ligt het huis van de familie Garibovic er nog stralend bij in het glooiende landschap van Prijedor. Zo zag het eruit toen zij aan het begin van de oorlog uit Kozaraç vertrokken. Of het er nog staat, weet niemand.

Vader Jusuf Garibovic is een van de honderden Bosnische vluchtelingen die naar hun geboorteland terug willen. Hij heeft nog niet gebeld naar het ministerie van justitie, waar Bosnische vluchtelingen met verhuisplannen zich kunnen laten registreren. Van een speciaal telefoonnummer heeft de moslim nooit gehoord. Bellen lijkt hem overigens zinloos, omdat hij niet gelooft dat het ministerie hem daadwerkelijk kan helpen.

Vader Jusuf is niet de enige die twijfelt aan het nut van de informatielijn van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van justitie. Van de 24 000 Bosnische vluchtelingen in Nederland belden slechts enkele honderden het ministerie. Wat opvalt is dat de vluchtelingen die naar huis verlangen, veelal ambachtslieden zijn. “Het heeft ons verbaasd dat zich zoveel timmerlieden en dakbedekkers aanmelden”, zegt Jan Rietveld, projectleider van het meldpunt. “Wij zijn daar wel blij mee, want eerst willen we graag mensen terug laten gaan, die kunnen helpen bij de wederopbouw.”

De medewerkers van het telefonisch meldpunt kunnen de vluchtelingen weinig vertellen. Voorlopig krijgen de Bosniërs met vragen slechts de belofte: 'U hoort van ons'. Justitie inventariseert, noteert naam, beroep, status en de wens om terug te keren. Voorlopig gebruikt justitie de gegevens voor het opzetten van een terugkeerregeling. Pas over enkele maanden zal staatssecretaris Schmitz met een definitief plan komen. Eén ding staat wel vast: Bosniërs met vluchtelingenstatus zullen niet, zoals nu in Duitsland dreigt te gebeuren, gedwongen worden om terug te gaan.

Sommige Bosniërs die het meldpunt bellen, willen eerst op verkenning in hun land. Zij willen met eigen ogen bekijken hoe het met de vrede gaat en hoe de situatie in hun streek is. Ook ouderen melden zich. Juist zij willen liever vandaag terug dan morgen, vertelt Rietveld.

Voor de familie Garibovic is terugkeer naar Bosnië een teer onderwerp. In de woonkamer van de ROA-woning in het Amsterdamse Bos en Lommer lijkt iedereen, behalve vader Jusuf, liever te zwijgen. Moeder Garibovic beroept zich graag op het gebrek aan kennis van de Nederlandse taal om het antwoord schuldig te blijven. Na lang aarzelen wil zoon Almir toch wel praten. Hij respecteert de wens van zijn vader die het wachten in Nederland moe is. Hij snapt ook wel dat het werkloos wachten op den duur gek maakt. “Toch wil ik alleen terug als we echt naar huis kunnen en er vrede is.”

Maar terugkeren naar Kozaraç is slechts een droom. Het dorp ligt in de regio Prijedor dat na het akkoord van Dayton in Servische handen is gekomen. Het is de streek waar de oorlogsmisdadiger Tadic zijn werk deed, de beul van het concentratiekamp Omarska die terecht staat voor het VN-oorlogstribunaal in Den Haag. Als de familie Garibovic terug wil, dan zal zij op zoek moeten gaan naar een nieuw huis, een nieuwe stad, waar de moslims het voor het zeggen hebben. En dat wil de zoon van Jusuf niet. “Dan zijn we weer vluchtelingen, in Bosnië zelf.”

Vader Jusuf lijkt toch vastbesloten. De meningen van zijn vrouw en drie kinderen mogen zwaar wegen, maar als justitie een beslissing op zijn asielaanvraag nog eens maanden voor zich uitschuift, dan gáát hij terug. Dan is het geen kwestie meer van willen, maar van moeten. “Als jullie niet mee willen, ga ik alleen”, zegt de verbitterde man. “Dan hoor ik niet meer bij jullie.”

De meeste vluchtelingen die het meldpunt bellen, maken zich meer zorgen over de vraag of ze na 'Dayton' nog in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, dan over terugkeermogelijkheden. De behandeling van hun asielaanvragen is immers stilgezet. Wat er met hen gaat gebeuren is nog onzeker.

Vader Jusuf gelooft er niet meer in en is nu geheel in de greep van de terugreis. Er gaat bijna geen dag voorbij zonder dat hij de hulporganisatie Spapo belt wat zijn kansen zijn. Inmiddels heeft hij de organisatie gevraagd te helpen bij het aanvragen van een transitvisum om door Kroatië te reizen. Hij heeft gehoord dat in vele Bosnische steden waar de vijand het voor het zeggen heeft, de leeggekomen huizen door de nieuwe 'autoriteiten' aan de eigen burgers worden toegewezen. Boeren kunnen zelfs gratis het achtergelaten vee ophalen. Maar waar vader Jusuf precies wil wonen weet hij nog niet.

Aan het eind van de avond komen de videobanden uit de kast. Vele televisieploegen trokken tijdens de oorlogsjaren door Kozaraç. Het dorp is totaal verwoest. Geen huis dat er nog bewoonbaar uitziet, wat Jusuf de geruststellende gedachte geeft dat er nu dus ook geen Serviër in kan wonen. En dan volgen de beroemde beelden van het gevangenkamp Omarska. Uitgemergelde mannen achter het prikkeldraad. Jusuf zet het beeld stil. Hij wijst een man aan. “Dat is mijn broer, hij heeft het overleefd en woont nu in Kroatië.” Zijn ouders overleefden Omarska eveneens, maar bezweken later in een vluchtelingenkamp in Kroatië. Eenmaal heeft de familie Garibovic opa en oma nog gezien. Het was op een avond in Amsterdam, toen de familie naar een documentaire zat te kijken over Bosnische vluchtelingen in Kroatië. Plotseling verschenen de twee bejaarden op het televisiescherm. Helaas zat er geen band in de videorecorder en heeft Jusuf het laatste weerzien niet kunnen vastleggen. Het moet niet lang daarna zijn geweest dat oma stierf. Opa volgde twintig dagen later.

mailIcon print |