*

 
dossier

Archief

Nederlandse kassen geliefd in buitenland, de bouwers niet

BIJDRAGEN: LOES SMIT; JEANNETTE VAN DITZHUIJZEN − 30/01/96, 00:00

Breedkappers, Venlokas, folie of glas, Nen of Cen, zeg het tegen een Nederlandse kassenbouwer en hij weet precies waar je het over hebt. Nederlanders staan al minstens honderd jaar - maar dat kan ook tweehonderd zijn - bekend als de beste bouwers van glazen kassen en je kunt ze zonder overdrijven nummer een van de wereld noemen. Zegt althans algemeen secretaris R. Fraai van de Avag, Algemene vereniging van aannemers en installateurs in de glastuinbouw.

Helemaal niet zo gek dus dat de grote tomatenkweker Bonita (afzet: 100 000 kilo per week in de VS) in Tucson, Arizona, per se 34 Nederlanders wil laten overkomen om het bedrijf van 8,1 naar 57 hectare uit te bouwen. Nederlanders hebben in 1992 de bestaande kassen gebouwd waar de tomaten niet op gewone aarde, maar op een speciale voedingsbodem gekweekt worden, en zij zijn dus de enigen die de nieuwe kunnen bijbouwen, zeggen ze bij het bedrijf. Maar de Amerikaanse autoriteiten willen geen werkvergunningen afgeven. Had Bonita eerst maar in eigen land naar arbeidskrachten moeten zoeken, want daar zitten ook goeie.

Wie heeft gelijk? Waarschijnlijk het Amerikaanse ministerie van arbeid, denkt Fraai. “Nederland heeft een zeer goede reputatie op het gebied van kasconstructies en installaties binnen de kas. Wij zijn ook het eerste land dat normen heeft vastgesteld waaraan een kas minimaal moet voldoen en het zo ver heeft gekregen dat er nu aan een Europese norm wordt gewerkt. Nederlandse kassenbouwers vind je overal ter wereld, in Noord- en Zuid-Korea, Amerika, Canada, Japan, noem maar op. Pas nog belde mij iemand uit Mexico, die Nederlandse kassenbouwers zoekt om een geweldig aantal hectaren land tot ontwikkeling te brengen. Maar ook die zal zich er eerst van moeten overtuigen dat er plaatselijk geen geschikte krachten zijn. Zo zijn de regels bijna overal ter wereld.”

Problemen als in Tucson, die volgens Fraai wel vaker voorkomen, zijn in feite niet nodig. Het liefst neemt een kassenbouwer een minimaal aantal experts mee, zegt hij (al was het alleen maar omdat zo iemand driemaal zoveel kost als een lokale werknemer) en werkt verder met mensen uit het gastland, die dan gelijk in het vak worden opgeleid. Bovendien komen een paar keer per jaar groepen buitenlanders uit de hele wereld naar het Wageningse agrarisch centrum Iac om een aantal weken getraind te worden in de technieken van de glastuinbouw. Daar leren ze bijvoorbeeld dat breedkappers tot nu toe de grootste kassen zijn met een gevelhoogte van twaalf meter.

mailIcon print |