*

 
dossier

Archief

Karim Ameur, Het Nationale Toneel

AREND EVENHUIS − 27/08/98, 00:00

Voor een studie rechten of economie voelde Karim Ameur uitgerekend niet. Het werd theaterwetenschappen in Utrecht. Via Couperus' 'De boeken der kleine zielen' belandde Ameur als dramaturg bij Het Nationale Toneel. “Je kunt veel gelezen hebben, maar met het toneelgezelschap in je achterhoofd lees je specifieker. Je denkt meteen al aan de regisseur die het gaat regisseren, het aantal spelers, de zaalgrootte, moet de voorstelling gaan reizen of niet?”

Al voor zijn studie had Karim Ameur op de planken gestaan. Of liever gezeten; als 'jongen in het cachot' in de Quichot-productie 'De man van La Mancha' bij de Opera Studio van de Operastichting. Hij trok met de troupe door het land, en genoot ervan om de voorstelling tot stand te zien komen. “Het was op de korte baan, en toch ging het diep, waarna iedereen zich voor een volgend project opmaakte. Die haast negentiende-eeuwse aanpak vond ik heerlijk: met echte schoenen- en hoedenmakers, schermlessen en hoe kleren 'oud' werden gemaakt.”

Maar zelf toneelspelen, wist hij toen al, was niet zijn streven. “Misschien voelde ik me te ongemakkelijk op het toneel, lag die grote verantwoordelijkheid me niet. Het was midden jaren tachtig, met politici als Ed Nijpels, iedereen was druk bezig voor zekerheid te kiezen.” Zo niet Karim Ameur: er brak een 'tamelijk doelloze' periode van 'veel piekeren' aan, al besefte hij dagelijks dat 'het leven er ook nog was'.

Tijdens een uitwisselingsprogramma van de Utrechtse universiteit met het Dublinse Trinity College, gloorde een gewaarwording. In Ierland ontdekte Ameur dat hij goed over theatervoorstellingen kon praten. Wat was de ervaring, wat was de betekenis van het stuk, hoe ontstaat het? De locatie speelde daarbij geen onbeduidende rol: het Trinity College van Wilde, Beckett en Shaw tegenover het repeterende 'objectiveren' van Utrecht. “In Nederland is het altijd wat verdacht om persoonlijk te zijn in je duiding. In Ierland is theater vanzelfsprekend. Behalve acteurs en regisseurs speelden daar ook de theaterwetenschappers schaamteloos. Ieren presenteren zichzelf graag. Het nationale gezelschap 'The Abbey' had een zekere bordkartonnen oubolligheid, maar mooi dat ze kunnen spelen, pretentieloos theater maken.”

Terug in Utrecht wist hij duidelijker wat hij wilde, en vooral wat hij niet wilde. Hij las 'De boeken der kleine zielen' en was op slag getroffen - “zo prachtig!”. In Den Haag was Het Nationale Toneel met een toneelbewerking bezig en prompt schreef hij een brief met de vraag of hij de repetitieperiode mocht bijwonen. Hij had niet eens gevraagd of ze nog iemand nodig hadden; hij wilde alleen zien hoe Couperus theatraal ontstaat. Artistiek leider Hans Croiset stond op het punt van vertrek, Johan Doesburg zou een jaar later bij Het Nationale Toneel aantreden; de huisregisseur Ger Thijs vroeg Ameur meteen maar of hij geen dramaturg bij zijn gezelschap wilde worden. Ja, verbaasd was hij - hij had in zijn studie niet voor dramaturgie gekozen, hij had geen aantoonbare ervaring - maar hij aarzelde geen moment. “Ik was nog zo ongevormd; ik kwam vormeloos van de studie af. Het verlangen om toeschouwer te zijn, had mij naar theaterwetenschappen gedreven. Niet de geldingsdrang van een acteur. Of de functie van een regisseur, die een grote groep in de ban moet zien te houden en geacht wordt grote mededelingen naar de wereld te doen.”

Een stuk komt nooit aanwaaien; net als de regisseur moet de dramaturg naar het geschikte stuk op zoek. Ameur: “Je hebt natuurlijk de wereldliteratuur. Molière, Shakespeare, de vier klassieke Grieken, de Ibsens, Tsjechow, Pinter. Sommige ken je, andere ken je niet. Maar dan nog: je kunt veel gelezen hebben, maar met het gezelschap in je achterhoofd lees je specifieker. Je denkt meteen al aan de regisseur die het gaat regisseren, het aantal spelers, de zaalgrootte, de vraag of de productie moet gaan reizen of niet en aan het aantal producties zelf (in ons geval jaarlijks acht tot negen), is het theatraal en intiem genoeg?

Ondertussen probeer je te achterhalen wat er in de tekst gebeurt. Dat moet je, bij spelers en regisseur, onder woorden zien te brengen. Dramaturgen zijn altijd met het volgende seizoen - anderhalf jaar verder - bezig, de acteurs met dit seizoen. Soms lijk je een soort Chinese jongleur, die zes borden tegelijk draaiende houdt. Maar ieders hoofd moet naar het stuk staan. Als je het de spelers dwingend gaat voorleggen, span je het paard achter de wagen.''

“Er zijn dode en levende auteurs, en ook minder dode of minder levende auteurs: de rechten op een stuk vervielen 50 jaar na het overlijden van de schrijver. Sinds twee jaar is het na 70 jaar vrij van rechten. Als je niet zeker bent kun je een optie op een stuk nemen, die na een maand vervalt. Nederland kent geen moordende concurrentie, maar het is wel aangenaam om als eerste de hand op een stuk te leggen. Er is wel een zekere repertoireverdeling, een overleg van alle landelijke artistiek leiders over de stukken die de verschillende gezelschappen gaan spelen, maar daar wordt amper naar gekeken, hoewel ook geheimzinnig over gedaan.”

Zo kunnen er in hetzelfde seizoen vier verschillende Hamlets door het land toeren, of vijf Molière-voorstellingen zoals vorig jaar. Die hoeven elkaar niet te bijten, en kunnen naast elkaar een eigen leven leiden.

Hoewel een dramaturg bovenal toeschouwer blijft, schampt hij voortdurend tegen de functies van acteur, regie-assistent, regisseur, geluidsman of decorbouwer. Voelt Ameur zich senang tussen de regisseurs Ger Thijs en Johan Doesburg, die weliswaar samen het boegbeeld van Het Nationale Toneel vormen, maar desalniettemin volslagen verschillende koersen varen. Thijs en Doesburg kiezen niet alleen hun eigen stukken, maar gebruiken desgewenst ook hun eigenhandige vertaling.

“Met je smaak, je intuïtie moet je spelers en regisseur zien te overtuigen. Een ondankbare taak? Nee, als je je maar blijft realiseren dat je tussenpersoon, medium en uiteindelijk toeschouwer bent.”

Wat in het buitenland aanslaat, hoeft nog geen binnenslands succes te betekenen. Uit de luidruchtig bejubelde en gekraakte stukken van de 'Britse Golf' koos Het Nationale Toneel alleen 'Blasted' van Sarah Kane, een kleine productie voor drie acteurs, die in een passende omgeving komt aangezien je er “de Koninklijke Schouwburg niet mee vol krijgt.”

Zelf zou Ameur graag werk van de Oostenrijker Hugo von Hoffmansthal en de Fransman Paul Claudel uitgevoerd willen zien. “Tamelijk conservatieve schrijvers, die dús uit de Nederlandse theatergeschiedenis verdwenen of daarin nooit hun intrede maakten. Zij schreven hartstochtelijke stukken over gekwelde mensen, buitenstaanders en de aanwezigheid van het kwaad in ons leven. Het zijn grote, precieze poëten, heel lyrisch en beeldend. Maar het zijn ook schrijvers die je haast te dierbaar zijn om te laten mislukken. Dat zou vreselijk zijn, want dan zijn ze misschien voorgoed voor Nederland verloren.”

mailIcon print |