*

 
dossier

Archief

'Het is onbegrijpelijk dat in Nederland zo slordig met tolken wordt omgesprongen'

RITA VAN VEEN − 08/03/95, 00:00

AMSTERDAM - Afshin Afkari is kwaad op zijn werkgevers. De Iraanse tolk vindt dat de directeuren van de zes tolkencentra net zo slecht werk afleveren als de tolkendienst van het ministerie van justitie. Maar er is niet één directeur die de afgelopen weken de hand in eigen boezem heeft gestoken.

Toegegeven, het rapport van de Nationale Ombudsman behandelde louter klachten over tolken die voor de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) werken, maar Afkari stelt dat de onderzoekers een even schrijnend rapport kunnen schrijven over de tolken die in de kaartenbakken van de zes tolkencentra staan. “De selectie is even slecht, de rotzooi net zo groot. In één opzicht doet justitie het zelfs beter, het ministerie probeert tenminste nog de politieke en ideologische achtergrond van de tolk in spe uit te pluizen, de tolkencentra niet.”

Afkari ergert zich over het grote amateurisme in zijn geliefde vak. In een land met zo'n grote reputatie op het gebied van talen is dat onbegrijpelijk. “Nergens ter wereld kun je zoveel talen studeren als hier. Dan is het vreemd dat er zo slordig met tolken wordt omgesprongen.”

De Iraniër kwam zeventien jaar geleden naar Europa en vestigde zich in Engeland, waar hij aan de filmacademie studeerde. In 1979 besloot hij naar Iran terug te keren. De sjah was verdreven en net als zoveel Iraniërs had hij hoop op een betere toekomst in zijn 'bevrijde' geboorteland. Nog geen jaar later stond hij in Amsterdam. Het regime van de geestelijk leider Ayatollah Khomeini was al even ondraaglijk en Afkari moest opnieuw vertrekken.

Bij toeval werd hij gevraagd te tolken. “Ik studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In die tijd was het heel gewoon dat je door een directeur van een tolkencentrum werd gevraagd. Hij zei tegen me, 'je bent student, je spreekt goed Nederlands, heb je geen zin om wat bij te verdienen?'. Zo ben ik erin gerold. Het leek mij een goede kans om mijn studie in de praktijk te brengen.”

De tolk Perzisch vertelt met grote passie over zijn werk. Een tolk is in zijn ogen meer dan louter een vertaler. Hij moet als intermediair twee mensen elkaar laten begrijpen, zonder zich met de inhoud van het gesprek te bemoeien. “Ik moest eens bij een advocaat tolken die het verhaal van een Iraanse vluchteling wilde horen. De advocaat vraagt de cliënt: 'Bent u gemarteld?'. Ik vertaal dat en de vluchteling antwoordt: 'Nee, gelukkig was het niet zo erg'. Ook dat vertaal ik. Een uur later vertelt de vluchteling hoe hij diverse keren op straat in elkaar werd geslagen en geschopt. De advocaat kijkt me aan en verwijt me dat ik niet goed vertaal, omdat de vluchteling dus wel is gemarteld. Op dat moment moet je niet met de advocaat in discussie gaan, maar zijn verbazing vertalen zodat de vluchteling het misverstand zelf kan ophelderen. Dat deed hij ook. De man legde uit dat er een verschil is tussen 'gewoon dagelijks geweld' en martelen. Martelen is voor hem aan je handen en voeten worden opgehangen, verbrand worden door peuken, verkrachting.”

De directies van de tolkencentra zouden veel meer moeten doen aan de begeleiding van tolken. “Als ik directeur was zou ik een tolk een keer per week op kantoor roepen en vragen wat hij allemaal heeft meegemaakt. Nu heb je als tolk het gevoel dat je een eenzame cowboy bent, die 's middags om vijf uur thuis komt met een opgeblazen rood hoofd. Als je je werk met liefde doet heb je de hele avond nodig om al die gruwelijke verhalen te verwerken. Het enige contact dat je als tolk met het centrum hebt is de administratie, de medewerkster die je kaart uit de bak pakt en opbelt om de opdracht door te geven.”

Anders dan de tolken van het IND werken de tolken van de zes tolkencentra voor vele instellingen. Afkari kan 's ochtends te hulp worden geroepen bij een psychiater en 's middags bij een advocaat in een asielzoekerscentrum zitten. Het aantal Perzische tolken neemt gestaag toe nu het aantal Iraanse vluchtelingen stijgende is. In Nederland leven zo'n 20.000 Iraniërs.

Aan vrouwelijke tolken is een groot gebrek, volgens Afkari zijn er slechts twee. Dat leidt tot grote problemen bij het tolken. “Het is verschrikkelijk moeilijk om te tolken bij een psychiater, die een verkrachte vrouw behandelt. Ik vind dat dat niet kan, maar soms moet je wel omdat er geen vrouwelijke tolk is. Dan stel ik voor om het telefonisch te doen, zodat mijn aanwezigheid geen belemmering is.”

De tolkencentra zouden zich veel meer moeten verdiepen in de rol die een tolk speelt bij het gesprek tussen de hulpverlener en de migrant. Afkari denkt daar bij iedere opdracht over na. “Als ik bij een psychiater moet tolken, dan trek ik, al naar gelang de problemen van zijn cliënt, vrolijke of juist neutrale kleren aan. Ik zorg er ook voor dat ik niet op de voorgrond ben, het gaat er tenslotte om dat de psychiater zo'n goed mogelijk contact krijgt met de patiënt.”

Zijn forse kritiek op de slechte kwaliteit van tolken en het 'armzalige sollicitatiebeleid' heeft hij nooit voor zich gehouden. Als Afkari in de tolkenkamer van een asielzoekerscentrum hoort dat een Kroatische tolk in het Nederlands het verschil niet kent tussen tegenwoordige en verleden tijd, dan zegt hij daar iets van. Dat is er volgens hem de oorzaak van dat zijn opdrachten de laatste tijd drastisch zijn teruggelopen. Na tien jaar tolken is Afkari een eigen advies- en vertaalbureautje begonnen. Samen met zijn vrouw heeft hij het eerste Nederlands-Perzisch woordenboek uitgegeven en een lesboek met cassettebandjes voor beginners. Het begrip 'veilige derde landen' staat er niet in, het boek lag al in de winkel toen de wet in januari werd aangenomen. Inmiddels zijn er 120 boeken verkocht. Afkari heeft nog geprobeerd de bibliotheken in de opvangcentra te interesseren voor zijn boeken, maar kreeg te horen dat de aanschaf te duur is.

Afkari ziet meer toekomst in het schrijven van lesboeken. “Het almaar blijven tolken voor mensen die al jaren in Nederland wonen is voor mijn gevoel een vorm van positieve discriminatie waar ik tegen ben. Veel tolken zouden overbodig moeten worden, maar dan moet je migranten wel de kans bieden om het Nederlands te leren.”

mailIcon print |