Is er op 1 januari nogiets veranderd? Jawel, de homeopathie werd respectabel. Nu ja, een ietsje respectabeler: homeopathische middelen behoeven voortaan een stempel van de overheid. De komende jaren wordt alles wat al in de winkel ligt getest. Op veiligheid, op kwaliteit, en op werkzaamheid. Hoewel, dat laatste zal er wel niet van komen. Dat is al zo vaak geprobeerd. Vergeefs, hoe zou je ook zoiets onzinnigs als de similia-regel moeten bewijzen?
Voor de producenten van de homeopathische middelen wordt de registratie een enorme klus, meldt het decembernummer van Similia similibus curentur, het blad van de Vereniging van homeopathische artsen in Nederland. Maar de inspanningen zullen hun vruchten afwerpen. Over vier jaar zal het eerbiedwaardige College ter beoordeling van geneesmiddelen alle homeopathische middelen hebben beoordeeld op veiligheid en kwaliteit. Net als reguliere geneesmiddelen krijgen homeopathische middelen dan een van overheidswege verstrekt registratienummer.
Niet bekend
Een geclaimde werkzaamheid die niet onafhankelijk is getoetst, dat steekt wetenschappers die hun middelen tot in den treure moeten beproeven. In hun ogen worden de kopers van de homeopathische middelen domweg belazerd. Ze drinken, druppelen en slikken zonder dat ze uit onafhankelijke bron hebben vernomen dat ze er beter van worden.
Want voor de goede orde: er is geen enkel objectief en eenduidig bewijs dat homeopathie werkt. De wetenschap vreest dat het nieuwe regeltje over die niet-bewezen werkzaamheid op het etiket velen zal ontgaan en door het aura van het registratienummer wordt overstraald.
“Ik ben regelmatig betrokken geweest bij de registratie van een nieuw regulier geneesmiddel”, zegt farmacochemicus prof. dr. H. Timmerman van de Vrije universiteit in Amsterdam. “Nou, daar komt zoveel papierwerk bij kijken dat het hele dossier niet eens in de achterbak van een auto past. Als homeopathische middelen op de gebruikelijke wijze op werkzaamheid zouden worden getest, vallen ze stuk voor stuk door de mand. Voor ons is het een hard gelag om op televisie die reclamespotjes met 'Vertrouw op homeopathie van VSM' te zien, met dat stomme New age-deuntje op de achtergrond.”
Timmerman zegt dat hij er het type niet naar is om moedeloos te worden van wat steeds meer begint te lijken op een strijd tegen de bierkaai. Hij staat op het punt een reeks homeopathische absurditeiten op te noemen. “Ach weet u, de homeopathie brengt verdunde koffie op de markt als slaapmiddel. Laat dat eens tot u doordringen, dan zijn andere voorbeelden waarschijnlijk overbodig.”
Wetenschappelijk bewezen of niet: het wérkt, zeggen de homeopaten, kijk maar naar onze tevreden klanten. Zouden al die mensen, die alleen al in Nederland jaarlijks voor tweehonderd miljoen gulden homeopathische producten kopen, zichzelf voor het lapje laten houden?
Het werkt níet, zeggen wetenschappers als Timmerman, kijk maar naar die tevreden klanten. Zij hebben van een homeopaat, die gemiddeld veel meer tijd aan hen besteedt dan een gewone arts, een middel gekregen waarvan ze dolgraag wíllen dat het werkt, voor een kwaal die veelal vanzélf weer overgaat. Het is een nepmiddel, een placebo, dat ten onrechte de meest fantastische eigenschappen krijgt toegedicht. Zou VSM, 's lands grootste producent van homeopathische middelen, zijn potjes leeggieten en met kraanwater vullen, dan is de doelgroep óók content.
Het basisprincipe van homeopathie, opgesteld door de Duitse arts Samuel Hahnemann, was vorig jaar precies twee eeuwen oud. Uitgangspunt is de zogeheten similia-regel, die erop neerkomt dat je een ziektebeeld kunt behandelen met een middel dat bij gezonde personen een vergelijkbaar ziektebeeld opwekt - zie het voorbeeld van de verdunde koffie. In dikke homeopathische handboeken staat beschreven welke effecten allerlei verbindingen hebben op iemands gesteldheid. Bij het ziektebeeld van een patiënt wordt in de boeken een zo gelijkend mogelijk geneesmiddelbeeld opgezocht, waarna de behandeling met het bijbehorende middel plaatsvindt.
Bij moleculair bioloog prof. dr. R. Plasterk, mededirecteur van de Amsterdamse Onderzoeksschool oncologie, blijkt de similia-regel te werken, op de lachspieren. Zeer vermakelijk vindt hij bovendien de bereidingswijze van homeopathische middelen. Uitgangspunt is dat een met water en alcohol vermengde en later uitgeperste en gefiltreerde hoeveelheid stoffen, meestal plantenmateriaal, stapsgewijs wordt verdund en geschud. Dat gaat soms door totdat er nauwelijks nog een molecuul van de oorspronkelijke stof in de oplossing zit. Achterliggende gedachte is dat het water de eigenschappen van de stoffen in zich opneemt.
Volgens Timmerman willen wetenschappers de uitgangspunten en de werkzaamheid van homeopathie best onderzoeken. Zodra ze daar echter werk van maken, slaan de homeopaten, zeker zij die streng in de leer zijn, de deur dicht. Zij menen dat de gangbare methoden om een geneesmiddel te onderzoeken niet van toepassing kunnen zijn op homeopathische middelen. Die worden doorgaans immers per individu voorgeschreven, terwijl reguliere medicijnen over het algemeen bij iedereen dezelfde werking hebben. Timmerman beschouwt dit als een flauwe smoes; zo kunnen de homeopaten ontsnappen aan hun onvermijdelijke demasqué. Tot een vergelijk zijn beide partijen nog niet gekomen.
Het meeste onderzoek dat is gedaan naar de werking van homeopathische middelen steekt beroerd in elkaar, vertelt Plasterk. In studies, dikwijls gedaan door homeopaten zelf, worden soms alleen de positieve resultaten vermeld; over de mislukte proeven lees je zelden iets in de medische tijdschriften.
Timmerman vindt het helemaal niet gek dat er af en toe een positief resultaat wordt gevonden. Dat kan op grond van statistiek immers worden verwacht. Als je maar genoeg proeven doet, glipt er altijd wel iets door dat een buitengewoon effect te zien geeft. Maar wie dergelijke proeven probeert te herhalen, een belangrijk vereiste van een goed experiment, vindt niets.
Ontmaskerde charlatans zijn er ook: in 1988 publiceerde de Franse onderzoeker Jacques Benveniste een artikel in het vaktijdschrift Nature, waarin hij beweerde te hebben aangetoond dat stoffen die op homeopathische wijze zodanig in water waren verdund dat er geen molecuul meer in de vloeistof kon zitten, toch nog biologische activiteit kunnen vertonen. Een door Nature geformeerd onderzoeksteam bezocht Benvenistes laboratorium en constateerde dat de onderzoeker grove slordigheden had begaan.
Alleen zogeheten dubbelblind, gerandomiseerd en placebo- gecontroleerd klinisch onderzoek is voor de wetenschap aanvaardbaar: een aanzienlijk aantal zieke proefpersonen wordt door loting verdeeld over twee groepen, waarvan de ene groep het vermeende werkzame middel krijgt toegediend en de andere een nepmiddel. Noch de proefpersonen, noch de onderzoekers weten van tevoren wie wat krijgt; dat blijkt pas na afloop van het experiment. Pas als de groep die het echte middel slikte er volgens vaststaande maatstaven beter aan toe is dan de rest, kan iets worden gezegd over de werkzaamheid van het beproefde medicijn.
Het valt niet mee studies te vinden die op deze wijze het effect van homeopathische middelen hebben getracht te meten. Vorig jaar plaatste het Geneesmiddelenbulletin een overzicht, verzameld door het Franse zustertijdschrift La revue prescrire. In een omvangrijke computercatalogus vonden de auteurs elf geschikte onderzoeken uit de periode 1990-1995.
Geen enkele studie bleek ondubbelzinnig te wijzen op enig effect van homeopathische middelen. Waar wel wat aan de hand leek, rammelde de uitvoering van het onderzoek: het voldeed wel aan algemene eisen, maar bij nadere beschouwing bleken patiëntenaantallen te klein, beoordelingscriteria te vaag of rekenmethodes verkeerd toegepast.
In 1991 beoordeelden Maastrichtse onderzoekers al eens 107 studies naar de werking van homeopathische middelen. De uitkomst was gematigd positief voor de homeopathie, maar volgens critici werd er wel erg soepel gerekend met twijfelgevallen. Ook ging het om proeven die niet waren herhaald. Een Amsterdamse studie uit 1994 naar de effecten van homeopathische middelen op infecties van de bovenste luchtwegen bij kinderen leverde niets op dat hoopgevend was voor homeopaten.
Een studie die door veel homeopaten als ondersteuning van hun gelijk wordt gezien, werd in 1994 uitgevoerd door de Schotse homeopathisch arts David Reilly en gepubliceerd in het vakblad The Lancet. Deze blijkt gebruik te maken van veel te weinig proefpersonen om uitsluitsel te geven over werkzaamheid van het geteste middel tegen astma. De onderzoekers vergelijken hun studie bovendien weliswaar met eerder verkregen resultaten, maar uit medisch oogpunt zijn de onderzochte aandoeningen te verschillend om op een hoop te mogen worden geveegd.
Een kleine groep van Nederlandse onderzoekers die homeopathie tot het domein van de serieuze wetenschap rekent, bevindt zich aan de Universiteit Utrecht en wordt geleid door de moleculair celbioloog dr. R. van Wijk. Deze doet onderzoek naar het zelfherstel van cellen, en maakte in 1994 bekend dat gekweekte levercellen die met arsenicum of cadmium waren vergiftigd, sneller herstelden als ze na enige tijd een hele kleine dosis van hetzelfde goedje kregen toegediend. Het zou een stap zijn op weg naar een bewijs voor de similia-regel.
Van Wijks vakgenoten waren niet onder de indruk. Plasterk: “Het hele proces waarbij cellen pas na kennismaking met een stof weerstand tegen die stof opbouwen is in de literatuur al duizenden malen tot op het atoom beschreven.”
De Utrechtse celbiologen staan slecht aangeschreven bij hun collega's van andere universiteiten. Van Wijk is in hun ogen doorgeslagen naar de andere kant. Zijn onderzoek wordt betaald door VSM. In het Tijdschrift voor integrale geneeskunde, dat zeer welwillend staat tegenover homeopathie, publiceert hij bovendien artikelen die overduidelijk tot het terrein van de science fiction lijken te behoren. In 1993 deed Van Wijk verslag van een onderzoek naar de werking van de zogeheten medicamenten-test, die er in het kort op neerkomt dat homeopathische middelen energie uitstralen die door glazen potjes heendringt en een menselijk lichaam helpen genezen waarvan de elektrische weerstand op bepaalde zwakke plekken is verstoord.
Van Wijk, die desvraagd ontkent dat hij positief staat tegenover homeopathie, beweerde verschillen te hebben gemeten tussen de effecten van een homeopathisch middel en een placebo, en constateerde dat zijn waarnemingen “wijzen op het voorkomen van een niet-moleculaire invloed van een homeopathisch preparaat”.
Plasterk kan er kort over zijn. “Er is écht geen serieuze moleculair bioloog die iets ziet in die oneindige verdunningen of in het similia-principe. Deze mensen maken zichzelf belachelijker dan je ooit met ironie kunt bereiken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.