Van onze verslaggeefsters AMSTERDAM, DEN HAAG - Op papier is het advies van de Onderwijsraad om het stichten van scholen makkelijker te maken, baanbrekend. Maar zolang er maar liefst minimaal 200 leerlingen nodig zijn om een school te mogen oprichten, verandert er in de praktijk zeer weinig tot niets.
Onderwijsorganisaties en deskundigen zijn tamelijk eensluidend in hun oordeel. Ze hebben van het advies van de Onderwijsraad opgekeken, maar ze zijn ook sceptisch. Al meer dan zestig jaar is het begrip richting een van de peilers waarop het stichten van nieuwe scholen is gestoeld. Gemeenten beoordelen nieuwe aanvragen aan de hand van prognoses over het te verwachten aantal leerlingen, èn op de vraag of er sprake is van een nieuwe richting. En nu adviseert de Onderwijsraad niet minder dan het loslaten van het hele begrip richting. Iedereen die voldoende leerlingen (minimaal 200, in een grote gemeente meer) bij elkaar kan krijgen, kan een bijzondere school stichten.
“Dit getuigt van enige moed”, zegt onderwijskundige Van Wieringen, die zelf voorzitter was van de commissie aanpassing scholenbestand, die eveneens adviseerde over het probleem van vraag en aanbod in het onderwijs. In bestuurlijk opzicht lijkt hem het advies 'handig'. Want het valt niet mee om te bepalen of de liberale hindoe's nu een aparte richting zijn of niet. Anderzijds denkt hij dat het advies gezien de hoge stichtingsnormen, slechts beperkte oplossingen kan bieden. Voor die paar nieuwe scholen in nieuwe wijken zal er wel iets veranderen. Maar voor het geijkte voorbeeld van de protestants-christelijke school met tachtig procent islamitische leerlingen biedt het volgens hem meer soelaas voortaan als protestants/islamitisch door het leven te gaan, zoals Van Wieringen zelf medio 1994 voorstelde.
De Onderwijsraad is van oordeel dat ook pedagogische principes de basis moeten kunnen zijn om een school te stichten en voor bekostiging in aanmerking te komen. Dat soort scholen, Montessori, Freinet, Dalton, Jenaplan, vallen nu veelal onder de algemeen bijzondere richting. Hun belangenvereniging, de Vereniging bijzondere scholen, is het op dit punt dan ook volkomen eens met de Onderwijsraad. Maar zolang kleurverschieten, van de ene richting naar de andere, heel moeilijk blijft en zolang de stichtingsnormen zo hoog zijn, valt er in de praktijk weinig verandering te verwachten, aldus VBS-directeur Steen. Ook de besturenraad protestants-christelijk onderwijs vindt dat in bijzondere gevallen een lagere stichtingsnorm moet kunnen gelden.
De Vereniging openbaar onderwijs is zeer ontevreden. Zij is bang voor een enorme versnippering. Met de stelling van de Onderwijsraad dat het schoolbestuur de drager is van de onderwijsvrijheid is de VOO het evenmin eens. Woordvoerder Van Zijl: “Dat zijn de ouders. Zij mogen van de raad om de vier jaar adviseren over de richting. Maar het bestuur kan dat veel te makkelijk naast zich neerleggen. En dan gaat kleurverschieten dus niet door, terwijl dat naar ons oordeel wel mogelijk moet zijn.”
Bij de protestants-christelijke oudervereniging Ouders en Coo is er juist veel waardering voor het feit dat de Onderwijsraad, overigens net als Van Wieringen destijds, niets ziet in kleurverschieten.
Woordvoerder Van Katwijk: “De Onderwijsraad bevestigt dat dit niet leeft bij ouders.” Voor een afname van het aantal protestants-christelijke scholen is hij niet bang. Als ouders ontevreden zouden zijn, zouden ze ook nu hun kind niet op een zo'n school zetten, aldus Van Katwijk. Directeur Van de Ven van de vereniging van katholieke schoolbesturen houdt wel rekening met een geringe daling van het aantal katholieke scholen. Dat is niet erg: “Zij zijn ontstaan door de werkelijkheid van vroeger, en ze moeten zich voegen naar een nieuwe werkelijkheid.”
Zo langzamerhand is het woord nu weer aan de politiek, die twee jaar geleden om de adviezen heeft gevraagd. PvdA-Kamerlid De Cloe ziet 'plussen en minnen' in het advies van de Onderwijswijsraad. “Ik vind het heel positief dat ook vanuit de raad het begrip 'richting' fors wordt gerelativeerd. Dat is niet meer beheersbaar, sinds er veel meer dan de traditionele drie zuilen is opgekomen.” Minder is het Kamerlid te spreken over de rem die de raad op kleurverschieten zet. “Dat is niet echt 'de school aan de ouders', zoals een CDA-rapport dat eens genoemd heeft. Een school moet niet elk jaar van richting veranderen. Maar als de situatie echt niet meer bij de wijk past, dan moeten ouders wat kunnen veranderen.”
D66-Kamerlid Lambrechts is goed te spreken over het advies. “Het loslaten van het begrip 'richting' is een oud punt van ons. En ik ben het met de Onderwijsraad eens dat het probleem van kleurverschieten in de praktijk niet vaak zal voorkomen. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom ouders voor een bepaalde school kiezen. Maar mochten er problemen zijn, dan moet dat bespreekbaar zijn op een school.”
CDA'er Van de Camp noemt het rapport 'een goed, doorwrocht advies'. CDA'ers schrikken misschien van het loslaten van het begrip 'richting' zegt hij, omdat het zo'n vertrouwd begrip is. “Er zitten ook talloze haken en ogen aan. We maken ons bijvoorbeeld zorgen of het onderwijs niet te veel versnippert. Maar we willen het niet meteen uitsluiten.”
VVD-Kamerlid Cornielje vindt wat hij van het advies heeft gelezen over het algemeen positief. “De overheid kan niet toetsen of iets een aparte richting is. Ze begeeft zich dan op een hellend vlak. Het geeft mensen bovendien de kans te kiezen voor pedagogische aanpak en niet alleen levensbeschouwing.” Wel ziet hij complicaties, zoals bij de vergoeding van het leerlingenvervoer en voor te kleine scholen, die van de Onderwijsraad mogen voortbestaan omdat ze de laatste van een richting zijn. “Dat moeten we nog eens goed doordenken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.