*

 
dossier

Archief

Hella Haase: 'Niets is ooit geheel voorbij'

ONNO BLOM − 09/01/97, 00:00

Hella Haasse laat onverminderd haar heldere stem horen in de literatuur. Niet alleen in de Nederlandse, maar ook in de buitenlandse letteren is haar imposante oeuvre niet onopgemerkt gebleven. Verschillende romans van de bijna 80-jarige schrijfster, die als Hélène Serafia op 2 februari 1918 in Batavia ter wereld kwam, werden in maar liefst vijftien talen vertaald. Zo waren de critici in Frankrijk, waar Hella Haasse van 1981 tot 1990 woonde, het afgelopen jaar laaiend enthousiast over de vertaling van haar roman 'De wegen der verbeelding'. In Nederland verschenen in het voor- en najaar van 1996 twee boeken: 'Een handvol achtergrond', dat inzicht geeft in veel biografische elementen in haar oeuvre, en 'Uitgesproken, opgeschreven', een veelzijdige essaybundel over achttiendeeeuwse vrouwen, een bosgezicht, Vestdijks avondrood, satire en de pers. Een gesprek over vijftig jaar schrijven. De boeken van Hella Haasse worden uitgegeven door uitgeverij Querido in Amsterdam.

“Schrijven hoort gewoon bij mijn manier van zijn. Ik heb altijd al geschreven. Ook toen ik een kind was. Het is een extensie van mijn bestaan, zit vast aan het gewone huis-tuin-en-keuken-leven dat ik leid. Schrijven is een andere vorm van leven. De actie speelt zich af in mijn hoofd, in de ontwikkeling van de verbeelding en niet in de dagelijkse handelingen.”

Toch kan de 79-jarige schrijfster, hoe oprecht bescheiden zij ook is, niet ontkennen dat juist wat zich in haar fantasie afspeelt en op papier terechtkomt buitengewoon meeslepend kan zijn. In trefzekere, beeldende taal en op rustige toon vertelt Hella Haasse hoe de schimmen die haar hoofd steeds opnieuw bevolken langzaam aan haar schrijftafel tot leven komen en hun weg vinden in een roman of een essay.

“Elke keer begint het in een diffuse wereld van impressies. Ik kan wat ik wil vertellen nog niet grijpen. Het zit achter matglas, in een wolk.” Met haar hand tekent Haasse een grote stapelwolk in de lucht. “Daar moet ik doorheen.” Dezelfde hand vaagt de wolk weer weg. “Eenmaal totaal doorgedrongen in een innerlijke wereld - wat ik wel eens genoemd heb: een klein model van een mogelijke werkelijkheid - vallen je dan ideeën toe. Zonder dat ik een blauwdruk zou kunnen geven van wat ik wil, krijg ik op een zeker moment een indruk van wat ik op papier ga zetten. Ik ga op zoek naar de juiste vorm. Dikwijls een heel langdurig en moeilijk proces, dat ik ook nauwelijks kan beïnvloeden. De vorm, dat is iets wat je te binnen schiet. Dat weet je ineens.”

“Daarna is het een kwestie van de zaak op papier krijgen. Dat vind ik een heel plezierig stadium. Het gaat er dan om binnen die vorm precies te formuleren en rangschikken. Lang denken over hoe je iets zegt, variëren. Op een plek die me helder voor ogen staat begin ik te schrijven. Dat is nooit aan het begin. Ik werk nooit van begin tot einde, maar schrijf steeds losse stukjes. Door de manier waarop de fragmenten geschreven zijn - ze komen voort uit dezelfde impuls - vallen ze als in een mozaïek vanzelf op hun plaats. De stukjes hebben als het ware haakjes waarmee ze aan elkaar vast zitten.”

“Ik kan me goed voorstellen hoe in de Middeleeuwen de monniken die de handschriften zaten te verluchten: dag in dag uit met het grootste genot al die kleine krulletjes en krinkeltjes aanbrachten met goudverf en dan nog een beetje rood of een beetje blauw. Zo schrijf ik ook.”

Haasse's vergelijking met een situatie uit een ver verleden staat niet op zich. Keer op keer verplaatste zij zich in tijd en ruimte, op zoek naar de personages van haar historische romans. Waarom vluchtte zij zo vaak in het verleden? In haar prachtige boek 'De tuinen van Bomarzo' vroeg zij zich dat af na een labyrintische speurtocht naar de ontstaansgeschiedenis van de betoverende beelden in een park aan de voet van het Italiaanse plaatsje Bomarzo: “Ik weet niet waar het heden ophoudt en het verleden begint. Niets is ooit geheel voorbij. De geschiedenis kan op duizend manieren geschreven en herschreven worden. Verborgen onder de oppervlakte van het geijkte beeld der historie, in de diepte, de massa van dat ontzaglijke materiaal, liggen, nog nooit 'gezien', de verbindingspunten van andere beelden met een ander perspectief en volstrekt andere vormen en afmetingen.”

De visie van Hella Haasse op de geschiedenis is altijd genuanceerd en verantwoord geweest - “ik verzin niet zomaar wat”, stelt zij licht verontwaardigd - maar ook zeer persoonlijk. Aan de ene kant bood ze in haar romans een wijd, goed gedocumenteerd panorama van de heersende gedachten uit het betreffende tijdperk. “Al mijn historische romans hebben een filosofische onderlaag. 'Schaduwbeeld of het geheim van Appeltern', de roman over Johan Derk van der Capellen, is toch in de eerste plaats een poging om te laten zien hoe de pre-revolutionaire ideeënstroom door Europa is gegaan en hoe dat binnen Nederland deze ene merkwaardige edelman heeft aangeraakt. En je zou ook kunnen zeggen dat de levensgeschiedenis van Charlotte Sophie Bentinck een pre-feministische ontwikkeling in die vrouwenfiguur laat zien.”

Aan de andere kant maakte Haasse het historisch perspectief immer ondergeschikt aan de verhalen die zij zelf wilde vertellen. “Ik heb niet de pretentie tegen de lezers te zeggen: hier is mijn boek, zo was het. Integendeel, ik weet niet hoe het was. Ik speel een spel met elementen uit de geschiedenis. Ik documenteer me weliswaar volgens de discipline van de historicus, maar er blijft altijd een groot deel van de historische werkelijkheid bestaan dat niet valt te bewijzen. Daar komt de vrijheid van de romanschrijver om de hoek kijken. Mijn boeken zijn dan ook allemaal romans, allemaal projecties van mezelf. Ik ben me er terdege van bewust dat Johan Derk van der Capellen en Giovanni Borgia, de held van 'De scharlaken stad', door mij heen, vanuit mijn bewustzijn zijn gezien.”

“Toen ik voor het eerst in Rome kwam, in het begin van de jaren vijftig, ging ik op zoek naar de sporen van het verleden. Ik had al gelezen over Giovanni Borgia, de infans Romanus, en de afbeelding van de munt gezien, waar hij op staat toen hij als kind hertog van Camerino werd. Ik dacht toen: hé, dat is een figuur die helemaal is vergeten. En: wat fascinerend, iemand wiens eigen achtergrond onzeker was. Alleen dat gegeven al. Dat je eigen achtergrond een groot geheim was. Hoe gaat zo iemand leven? Toen kreeg ik het idee dat te plaatsen tijdens de sacco di Roma - de plundering in 1527 van het Pauselijke Rome door de troepen van keizer Karel V.”

“Ik liet mij opnemen door de stad, bezocht de afdeling van het Vaticaan, waar de Borgia-vertrekken zijn. Op de wandschilderingen van Pinturicchio zijn al die personages te zien. Daar bedacht ik de compositie: ik zou Giovanni Borgia zijn eigen geschiedenis laten vertellen. Tegelijkertijd wilde ik een beeld van de tijd geven door de ogen van belangrijke tijdgenoten.” In 'De scharlaken stad' staart Michelangelo naar zijn eigen flonkerende fresco's op het plafond van de Sixtijnse kapel en voeren Niccolo Machiavelli en Francesco Guicciardini een briefwisseling over de politiek. Zo ontstaat een koor van stemmen en genres waaruit de sfeer van Rome in de Renaissance opstijgt. “Over veel van die personen, Lucretia Borgia en Cesare bijvoorbeeld, had ik al gelezen in boeken uit de bibliotheek van de Kunstkring in Batavia. Dus een voorstelling van die personages had ik al. En die ben ik steeds nauwgezetter gaan invullen.”

Het belangrijkste thema van 'De scharlaken stad' is de onzekere identiteit van Giovanni Borgia. “Zij weten niet wie ik ben, wat ik wil, welke relaties ik onderhoud, welke verwanten en vrienden ik bescherm, welke vijanden ik benadelen kan. Zij weten minder dan ik, en wat weet ik zelf?”vraagt Giovanni Borgia zich af. “Altijd wil ik, net als hij, kijken wat zich achter de dingen bevindt”, zegt Haasse. In haar ogen glanst een samenzweerdersblik. “Het geheim is het grondpatroon van mijn schrijven. In het labyrint dat de werkelijkheid vormt, moet je als schrijver in kaart brengen wat je onderweg ziet. Je staat stil bij iedere keuze. Je hebt een weg laten liggen, de ander genomen. Het is een registratie en een inventarisatie van wat je ziet op je tocht. Zo onderga ik het.”

“Als ik aan een boek bezig ben, denk ik dat ik het om die reden schrijf. In eerste instantie ben ik geïnteresseerd in een periode, mens, of plot. Maar na afloop, soms jaren later, merk ik dat ik in feite weer zo'n weg aflegde. Een bepaald tracé te vinden, dat is mijn lust en mijn leven. Ik heb altijd het gevoel dat ik nog ergens achter kan komen.”

Haasse blikt even voor zich uit. Na een korte stilte geeft ze haar verhaal een verrassende wending: “Juist omdat ik zelf over te weinig gegevens beschik om mijn eigen achtergronden te kunnen onderzoeken, zowel van de kant van mijn vader als de kant van mijn moeder, speelt de zoektocht naar identiteit zo'n belangrijke rol in mijn werk. Je zoekt naar een plek waar je thuis hoort, naar mensen bij wie je hoort, naar een achtergrond waar je uit voortgekomen bent. Dat is heel wezenlijk. Niemand kan daar zonder.”

“Ik heb dat altijd wel geweten, al was het in het begin van mijn schrijverschap, toen ik 'Oeroeg' en 'Het woud der verwachting' schreef, onbewust. Ik ben op dit moment juist heel bewust met mijn eigen verleden bezig.”

De perioden dat Hella Haasse, eerst als klein meisje, en later als jonge vrouw gescheiden was van haar familie in Indonesië behoorden tot de moeilijkste van haar leven. “Van 1938 tot 1946 heb ik mijn ouders en broer niet gezien. Mijn broer maakte als soldaat de slag op de Javazee mee. Acht jaar lang heb ik nauwelijks contact gehad met mijn familie, zeker na 1940 niet. Toen wisten we niet eens zeker van elkaar of we nog wel leefden. Die tijd vormt een duidelijke cesuur. Dat moet ik accepteren, maar het houdt mij toch bezig. Vooral de relatie met mijn ouders. Die komt nooit meer goed...” Haasse lijkt even te schrikken van de tegenwoordige tijd, die ze opeens gebruikt. Snel verbetert ze zichzelf: “Die is nooit meer goed gekomen.”

“Ik zoek nu naar de ervaringen uit mijn jeugd. Ik wil scheiden wat ik altijd gedacht heb en wat ik intussen met absolute zekerheid te weten ben gekomen. De mythologie van de verbeelding en de naakte feiten scheiden. Ik ben in het bezit van brieven gekomen en heb dingen vernomen die een ander licht werpen op de achtergrond van mijn ouders. Ik wil laten zien hoe in die autobiografische gegevens mijn fictie wortelt. De wijze waarop ik dat in elkaar moet laten grijpen, daar ben ik technisch nog niet achter. Maar ik zal tot de kern gaan. Eén keer zal het moeten en zo lang zal ik dit Ondermaanse niet meer bewandelen.”

Hella Haasse verontschuldigt zich, tot slot van het gesprek, dat ze zich over haar nieuwe boek in zulke bedekte termen heeft uitgesproken. “Ik ben er nog niet uit. Ik zit tot over mijn oren in het ontstaansproces. Hoe zich dat precies afspeelt, dat weet ik zelf niet. Ik kan een heleboel dingen bewust uitzoeken, maar het moment waarop mijn beschrijving metafoor wordt, dat zal ik nooit kunnen achterhalen. Het is een mechaniek dat in mezelf ingebakken zit en vanzelf gaat werken. Het is mijn bestemming. Ik ben slechts een instrument. Mijn functie is: waarnemen en weergeven. Dat heb ik altijd uiterst serieus genomen. Schrijven is een essentiële zaak. Het maakt dat ik in de werkelijkheid ben, dat ik iets te maken heb met de wereld om me heen. Dat vind ik het belangrijkste van alles. Het is met niets te vergelijken. Zolang het schrijven doorgaat, ben ik er.”

mailIcon print |