Volgens de legende stuurde een Hollandse welzijnswerker hem naar de toneelschool. Weer een Marokkaanse spijbelaar met een afgebroken LTS-opleiding uit de goot gered - ontroerend toch? Nu heeft Najib Amhali (26), acteur en stand-up-comedian, ook nog het Leids Cabaretfestival gewonnen. Maar.
Eerst zijn eerdere successen: acteur in Pleidooi (hij speelde een Marokkaans crimineeltje), acteur in het jeugdtheater (De Krekel en de Mier van La Fontaine, hij was natuurlijk de flierefluitende Krekel), lid van het stand-up-comedy gezelschap de Comedytrain, rapper. Tellen we de vele overheidsfilmpjes waarin hij figureerde nog niet mee.
“Gered door een welzijnswerker? Wat een cliché. Toen ik elf jaar was heb ik een filmje opgenomen met een buurtwerker. Het was zijn hobby. Maar het besluit om naar de toneelschool te gaan, jaren later, nam ik toch echt zelf. Ik zag een advertentie in de krant, deed auditie, werd aangenomen. Ik geloof ook niet dat ik uit de goot gered hoefde te worden, haha.”
“Er klopt wel iets van het verhaal: dat ik de LTS niet heb afgemaakt. De opleiding tot automonteur trouwens ook niet. Ik ging naar de LTS omdat al mijn andere Marokkaanse vriendjes dat ook deden. Klassiek. En heel stom, achteraf. Ik verveelde me er te pletter. Dus toen was het: 'Ga maar iets met je handen doen'. Nog klassieker. Mijn vader hoopte dat ik als automonteur ooit nog eens een bedrijfje in Marokko zou beginnen. Wel een smerig beroep, automonteur, voor iemand met twee linkerhanden. Achteraf had ik zo graag vwo willen doen, en arts of advocaat worden. Maar al die jaren van zoeken hebben me ook veel opgeleverd. Nu ben ik acteur. Dit is wat ik kan. Prima. Leuk! Ik heb wel mijn drie jongere broers op hun hart gedrukt om hun eigen weg te kiezen en daar keihard voor te gaan. Ze willen geen van allen het theater in. Mijn jongere broer gaat liever naar de Luchtmobiele brigade.”
Je won afgelopen weekeinde in Leiden het Cabaretfestival. 'Een Marokkaanse cabaretier die racistische grapjes maakt', juichten de kranten.
“Strak-hard-grof - dat is mijn stijl als ik als stand-up comedian improviserend op het podium sta. Voor het Cabaretfestival heb ik voor het eerst een programma geschreven. De verhaallijn gaat over mijn vader, die als gastarbeider in 1965 naar Nederland kwam. De openingsgrap ontstond ooit spontaan. Ik stond in een theater en er liepen wat mensen uit de zaal. 'U bent zeker bang dat mijn landgenoten op dit moment in uw huis rondlopen', riep ik. Ik vind dat niet racistisch. Vergelijk het met joodse stand-up comedians die jodengrappen maken. Het is zelfspot. Ik heb ook genoeg andere onderwerpen. De Fabeltjeskrant met coffeeshop Bor de Wolf en Zoef de Haas als drugsdealer. Kan het Nederlandser?”
“Er valt veel te lachen met de integratie. In de show vraagt mijn vader steeds: 'Isse gratiesj?'. Natuurlijk, een cliché. Maar mijn vader hield echt van dingen die gratis waren. De Jehova's getuigen hadden een goeie aan hem. Hij liet trots het gratis boek aan zijn zoons zien. 'Met allemaal mooie plaatjes'. Wij kwamen niet meer bij van het lachen.”
“Mijn vader heeft twijfels gehad over mijn keuze, maar hij heeft gelukkig ook nog de vruchten ervan gezien. Hij is drie jaar geleden overleden, in de periode dat ik examen deed aan de Utrechtse toneelschool. Niet alle Marokkaanse gezinnen hebben problemen. Mijn ouders hebben me enorm gestimuleerd om me te ontwikkelen. Ook mijn moeder, waar ik een hele goede band mee heb. Ik leerde tegelijk met haar Nederlandse boeken lezen. Ik mocht haar fietsen leren. 's Avonds, in het donker. Ze viel steeds, dan hadden we enorme lol.”
Je wilt zelf geen Marokkaanse types meer spelen op tv of in het theater, zelfs al word je gevraagd.
“Niet als het stereotypen zijn. Ik gebruik op het podium graag mijn afkomst, maar alleen om de dingen te laten zien die ík kwijt wil. Ik wil serieus genomen worden als Najib Amhali, om mijn kwaliteiten. Maar ik kreeg steeds weer dezelfde rollen: Crimineel, probleemjongere, 'de-bijrol-voor-een-allochtoon'. Ik mocht in de soapserie GTST een Turk spelen. Ik líík niet op een Turk. Soms verwachten ze ook nog dat je uit je persoonlijke ervaring kunt putten voor inspiratie. Afgelopen zomer heb ik nog één keer de gladde oplichter gespeeld in een speelfilm van Paul Ruven, en dat was het. Ik doe het niet meer. Misschien hooguit een mooie rol met een heel goed verhaal erom heen.”
“Ik nam ook een ander besluit. Het Cabaretfestival was een geval van loopbaanplanning. Zelf iets maken, in beeld komen - dat was mijn doel voor 1998. Ik heb aan het festival meegedaan om te winnen, ik stond daar niet voor de halve finale. Ik wist ook dát ik zou winnen. Het gaat me niet om het gevoel van 'winnaar zijn'. Ik had praktische wensen. Dat ze me zouden bellen, dat ik nieuwe aanbiedingen krijg. En de telefoon heeft inderdaad niet stilgestaan. Het is een geslaagd geval van loopbaanplanning.”
En je uiteindelijke doel?
“Comedy maken. Op de Hogeschool voor de kunsten studeerde ik in 1994 af met een eenmansact met een pratende sok. Dat kon eigenlijk niet. Je werd opgeleid voor Bewégingstheater. Maar ik hou er veel meer van om mensen aan het lachen te maken.”
“Mijn wens zou zijn om tv-comedy te brengen met allochtonen in de hoofdrol. Je hoeft maar een straat in Amsterdam als uitgangspunt te nemen. Het schijnt dat het publiek er nog niet klaar voor is. Ik kan zo een rij Surinaamse en Marokkaanse acteurs opnoemen die er geknipt voor zijn. De cabaretiers Hans Teeuwen en Theo Maassen mogen ook meespelen. Dat zijn Brabanders, die komen ook uit het buitenland.”
Is het toeval dat zoveel jonge Marokkaanse kunstenaars succes hebben? Acteurs, schrijvers.
“Marokko is een cultuur van verhalenvertellers. Misschien heeft het daar mee te maken. Ik ben er trots op. Als Abdelkader Benali een prijs wint met zijn debuutroman, vind ik dat als Marokkaan schitterend. Dat is bijna net zo geweldig als het Nederlands elftal dat een wedstrijd wint. Eh, ik heb het nog niet gelezen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.