De huiver voor fysiek geweld lijkt geen begin te hebben, of liever, telkens begint hij opnieuw. In een leven van een halve eeuw stapelen zich zoveel herinneringen op dat de een de ander verdrijft. De aanslag op het joodse restaurant in de Rue Copernic in 1975 verdrong de plastic-bommen van de OAS die vijftien jaar eerder de straten van Parijs onveilig maakten, de Vietnamese opstand overdekte de Hongaarse, en de elektrische schok van de Golf-oorlog werd geneutraliseerd door de roversbenden in Joego-Slavië.
Een enkele maal versterkte het een het ander, zoals toen ik in 1972 met Kerstmis in de kantine van kamp I in Auschwitz over de radio hoorde dat de Amerikanen het ziekenhuis van Hanoi hadden gebombardeerd. Ja, persoonlijke belevenissen, hoe klein ook, branden dieper in: de zwanen uit de Maliesingel in Utrecht die in mijn jeugd met grof geweld in manden werden gepropt tegen winterdag, de traangasgranaat die ik in de zomer van 1966 teruggooide naar de politie, de klap die een motorrijder aan mijn vader uitdeelde omdat hij niet snel genoeg optrok bij een stoplicht, ik kan de woede en de schaamte nog voelen.
Zolang ik weet druppelden met regelmaat berichten uit de boze buitenwereld door het filter van een beschermd bestaan. In een stille vijver veroorzaakten zij grote kringen. In 1956 baden wij thuis dat de Heilige Stefanus, patroon van Hongarije, zijn verdrukte volk van het communisme mocht verlossen; later was in onze kring de strijd van het Vietnamees Bevrijdingsfront er een voor alle onderdrukte volkeren, en tot de dag van vandaag ben ik geneigd de Duitsers als een duistere kracht te zien die er is om de wereld te beproeven. Misschien begon het toch daar, met de broer van mijn vader die niet terugkwam uit Dachau, en naar wie ik vernoemd werd. Mogelijk stamde ook van toen die wraakzucht die met de huiver om de voorrang streed.
Katholieke en andere legitimaties van geweld - bij voorkeur heldhaftig verzet tegen overheersing - vonden een wisselend gehoor bij mij, maar zoals de meeste bange en weldenkende mensen vereenzelvigde ik geweld vooral met wanorde en redeloosheid. Op onbewaakte ogenblikken doe ik dat nog, niet alleen uit gemakzucht, maar ook omdat de afgelopen paar jaar een serie gewelddaden de publieke aandacht vroeg die het onmiskenbare werk van boosaardigheid leken te zijn.
In de zomer van 1996 traden de wandaden van de Waalse kindermoordenaar Marc Dutroux aan het licht, en omstreeks diezelfde tijd schrokken de mensen op van de doodslag van een Amsterdammer die zich stoorde aan een stelletje tuig dat een dronkelap stond af te rossen. Dit laatste patroon herhaalde zich nog eens in Tilburg en Leeuwarden. Onwillekeurig bekroop mij het gevoel dat er rottigheid in de lucht zat.
Nu wist ik dat de verleiding om het geweld door enkelingen tegen enkelingen begaan, op één hoop te gooien met nog grotere misdaden, gevaren in zich bergt. Het schenkt bevrediging het vonnis 'stompzinnig en misdadig' in één moeite door uit te spreken over Russen, die Tsetsjenië met de grond gelijk maken, én over bruten die zich in de nanacht aan voorbijgangers vergrijpen. Enormiteiten krijgen de afmetingen van café-ruzies, en onfatsoen wordt de voorbode van rampen. Die verontwaardiging verdiept zich echter niet graag in voorgeschiedenissen en omstandigheden, niet van andermans wildheid en niet van de eigen beschaving.
Het vergde enige zelftucht om wadend in het nieuws over moord en doodslag, op het academische droge te klauteren en bij beroepstwijfelaars te rade te gaan of zij er iets op weten. Honderd sociologen, cultureel antropologen en historici oefenden zich in december gedurende drie dagen in de kunst van het opgeschorte oordeel ter gelegenheid van een conferentie over 'Georganiseerd geweld'. Daarmee werd in Amsterdam het honderdste geboortejaar van de cultuur-historicus Norbert Elias (1897-1990) gevierd.
Ze waren onder elkaar, de overwegend middelbare volgelingen van een oude Duitse eéigré, en er heerste naast ernst ook gezelligheid. Frank Bovenkerk, een van de zegslieden van de voormalige commissie Van Traa, was de enige spreker die even sneerde over de splendid isolation van het gezelschap, dat zich slechts enkele minuten gaans van de Wallen, het epi-centrum van de Nederlandse onderwereld, ophield. In de theorie die Elias in 1939 in zijn meesterwerk Ueber den Prozess der Zivilisation (Het civilisatieproces, Het Spectrum 1982) ontvouwde betekent 'georganiseerd geweld' ook iets anders dan 'georganiseerde misdaad'. In die context gaat het juist om geweld dat minstens een schijn van wettigheid bezit. Het georganiseerde geweld van Elias is 'gemonopoliseerd en verstatelijkt', zoals het sociologen-taaltje zegt. Volgens die opvatting is het onderdrukken van eigenmachtig optreden door burgers een voorwaarde van de beschaving. De staat eigende zich in de loop van de geschiedenis het zwaard toe. Niet alleen de agressie, maar het hele driftleven van de mens zou onder toezicht zijn gekomen. Eten, drinken en vrijen doen we ook niet meer op zijn Bourgondisch, zelfs al laat het gezag ons daarin meer vrijheid dan bij geweldpleging. Maar Bovenkerks aanwezigheid op dit congres betekende dat de organisatoren de dubbelzinnigheid van het begrip georganiseerd geweld onderkenden. Landen als Italië hadden altijd een schaduw of dubbelganger van het gezag gekend in de maffia, maar dergelijke organisaties ontplooiden zich ook al jaren in Nederland.
En nu was de georganiseerde misdaad ook al de sociologie geïnfiltreerd! Daarmee was de twijfel aan de effectiviteit van het geweldsmonopolie binnengeslopen. Een twijfel die ook achter mijn bezoek aan het overleg der geleerden stak.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.