JERUZALEM - Een muur zo hoog, dat zelfs de vogels er niet overheen kunnen vliegen. Dat is volgens dr. Martin van Creveld de oplossing voor Israël en de Palestijnen. “In Gaza zijn we te krenterig en bouwen we een veiligheidshek, dat onvoldoende is. Alleen een hele hoge muur kan ons beschermen tegen de terreur en kan ons leger genezen van de intifada.”
Van Creveld - van Nederlandse komaf - is als militair historicus verbonden aan de universiteit van Jeruzalem. Regelmatig laat hij van zich horen buiten de muren van de universiteit, beschimpt hij premier Rabin (“een halve analfabeet”, “een besneden kozak”) of windt hij zich op over de verloedering van de Israëlische strijdkrachten, Tsahal.
De aftocht van de Israëlische soldaten uit Gaza voorspelde hij al jaren geleden. “De afgelopen vijftig jaar is het geen enkel leger gelukt een dergelijke strijd te winnen. Noem ze maar op: de Nederlanders in Indonesië, de Britten in Palestina, Kenia, Maleisië, Cyprus, Aden en daarvoor nog in Noord-Ierland, de Fransen in Vietnam en in Algerije. Allemaal zijn ze met hun handen op het hoofd vertrokken. Niet omdat ze zoveel verliezen leden. De verliezen bij de tegenpartij lagen vele malen hoger. In Kenia bijvoorbeeld zijn 100 000 mensen omgekomen: 98 000 rebellen en 2 000 soldaten van het leger. Onder die tweeduizend waren slechts twintig blanken. En toch zijn de Britten vertrokken. De nederlaag was moreel.”
“Oorlog”, zegt Van Creveld, “begint niet met een groep mensen die een andere groep wil doden om bepaalde doeleinden te verwezenlijken, zoals Von Clausewitz schreef. Oorlog begint met de bereidheid van een groep mensen gedood te worden. Het kleine Israël van voor de jaren zeventig wist wat oorlog betekende. We zijn dat gevoel kwijt geraakt.”
Kat en muis
De kern van het probleem ligt volgens Van Creveld in de vraag wat er gebeurt als sterken tegen zwakken strijden. “Dan vervagen de grenzen tussen oorlog en misdaad. Het is als met de kat en de muis. De muis wordt nooit gezien als wreed, ook al drijft hij de kat tot wanhoop, zoals in vele tekenfilms. De kat is de wreedaard, wat hij ook doet.”
“Een oorlog tussen sterken en zwakken is altijd wreed, niet vanwege de doeleinden, maar vanwege de krachtsverhoudingen. De zwakkere mag alles, de sterkere bijna niets. Dat verklaart ook die huichelachtige houding van de rest van de wereld, die alles wat wij deden veroordeelde en alles wat de Palestijnen deden vergoelijkte.”
“Om die grensvervaging tussen misdaad en oorlog te vermijden hebben we onszelf onmogelijke beperkingen opgelegd, 'rules of engagement': Een soldaat moet onderscheid maken tussen een Arabisch kind boven en onder de dertien, hij moet beoordelen of het kind op vijftig meter afstand staat of op dertig en of het een steen gooit of een molotov-cocktail. Natuurlijk overtreedt iedereen constant de regels. Alleen is soms net de verkeerde camera of de verkeerde journalist aanwezig. Dan volgt een onderzoek en een rechtszaak en vervolgens gebeurt altijd hetzelfde: de commandant verandert in Pontius Pilatus, wast zijn handen in onschuld en beweert dat hij van niks wist.”
“Er bestaat in Tsahal, het Israëlische leger, zelfs een woord voor: 'kastach', een acroniem voor wat in het Engels 'cover your ass' heet. De soldaten hebben een heel jargon ontwikkeld met dit soort afkortingen. Iedereen liegt tegen iedereen. Op dit punt stort in feite het hele systeem in elkaar, want geloofwaardigheid is essentieel voor een organisatie als het leger.”
Van Creveld geeft nog een reden waarom Israël niet kon winnen: “We vochten met het verkeerde leger, met een leger dat gewend was en bestemd is om met tanks en vliegtuigen te strijden. Maar tanks en vliegtuigen zijn niets waard tegen vrouwen en kinderen. Het was de stomste oorlog die we ooit hebben gestreden!”
Ook Reuven Gal benadrukt dat na meer dan zes jaar strijd - “de langste oorlog, die Israël heeft gestreden” - de Israëlische legertop nog altijd niet heeft geleerd, niet heeft willen leren, met de intifada om te gaan. Gal, jarenlang de hoofdpsycholoog van het Israëlische leger, staat tegenwoordig aan het hoofd van het Israëlische instituut voor militair onderzoek. “Tsahal”, stelt Gal, “had speciale intifada-eenheden moeten oprichten, getraind in oproer-bestrijding. Maar de Israëlische generaals zijn 'combat-oriënted': oorlog voer je met tanks en vliegtuigen en daar wilden ze niet van af. Zo zetten ze op het hoogtepunt van de intifada uitgelezen eenheden in om politietaken te verrichten. Het waren troepen die goed zijn voor de oorlog met Syrië, niet voor de intifada. Als Tsahal de intifada heeft verloren, komt dat doordat het opperbevel zes jaar lang heeft geweigerd om te schakelen, met als gevolg dat Tsahal het imago kreeg van een bruut en inefficiënt leger.”
Gal heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de invloed van de intifada op de Israëlische soldaten, met verrassende resultaten. Hij maakte onderscheid tussen drie groepen: de dienstplichtige soldaten, de reservisten en de soldaten in vaste dienst. De eerste groep, 18 tot 21 jaar oud, draagt zeker de sporen van de intifada met zich mee. Velen balen en willen het liefst zo snel mogelijk uit dienst. De verwachting was dat hun diensttijd in de bezette gebieden tot een radicalisering van hun politieke denkbeelden zou leiden. Het tegendeel blijkt waar te zijn. “Direct contact met de Palestijnen heeft hun denken in stereotypen doorbroken”, zegt Gal. “De 'hardliners' ontdekten dat de Palestijnen niet zo achterlijk zijn als ze dachten en dat het geen pretje is over 1,5 miljoen Palestijnen te heersen. De 'peaceniks' ontdekten dat het niet zo eenvoudig is hun idyllische opvattingen over vreedzaam samenleven te verwezenlijken.”
Bij de reservisten - elke Israëliër moet na zijn driejarige diensttijd jaarlijks veertig dagen op herhalingsoefeningen - probeerden velen onder de oproep uit te komen, als bleek dat ze in de bezette gebieden moesten dienen. Het aantal openlijke dienstweigeraars was eigenlijk zeer laag, net boven de honderd. Volgens Gal zou dit cijfer tot de duizenden zijn opgelopen, als het leger zich niet zo 'onlegerachtig' had opgesteld. Meestal regelden plaatselijke commandanten met de reservisten dat ze elders konden dienen. Dit stilletjes accepteren van 'grijs weigeren' bespaarde het leger de openlijke confrontatie met het probleem.
Religieuze officieren
Het 'beroepsleger' heeft de hoogste prijs moeten betalen. Veelbelovende officieren stapten op omdat zij geen 'carriëre' wensten te maken als commandant van een Palestijns vluchtelingenkamp. Degenen die bleven, hadden vaak ideologische beweegredenen. Zo steeg het aantal religieuze officieren aanzienlijk. Gal spreekt zelfs van een politisering, een verrechtsing van het leger als gevolg van de intifada.
De grootste paradox is echter dat, intifada of geen intifada, de motivatie onder Israëlische jongeren om in dienst te gaan de afgelopen 45 jaar zelfs licht is gestegen. Gal (“het is een raadsel”) noch Van Creveld (“Ik begrijp niet waar ze al die 'oekels' vandaan halen”) hebben er geen verklaring voor. Nog altijd 80 tot 85 procent van de jongeren wil graag in dienst. Op de vraag of, als de dienst niet verplicht was, ze toch in het leger zouden gaan, antwoordde maar liefst meer dan negentig procent van de jongeren dat ze dan vrijwillig dienst zouden nemen. Dienen in het leger in Israël wordt nog altijd geassocieerd met sociale status en prestige.
Gevraagd naar hun beweegredenen geven de meeste jongeren als antwoord 'het is interessant' of 'het is een uitdaging'. Het antwoord 'om de staat Israël te dienen' staat aanzienlijk lager op de lijst.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.