*

 
dossier

Archief

'Familie is ideale samenvatting van samenleving'

HANNY ALKEMA − 16/01/97, 00:00

De esthetica onder de regisseurs is zij wel genoemd. Lidwien Roothaan legt zich niet toe op de psychologie van de personages, maar op de stilering van hun gedrag. Deze week gaat de eerste productie van haar eigen stichting Het Groene Balkon in première, 'Het huis van Bernarda Alba'. “Het is één van de moeilijkste stukken die ik ooit gedaan heb”. 'Het huis van Bernarda Alba' gaat op 16 januari in première in Theater Bellevue in Amsterdam (t/m 26-1; tournee t/m 8-3).

De esthetica onder de regisseurs is zij eens genoemd. In de ruim vijftien jaar dat Lidwien Roothaan (1952) nu regisseert is haar vormbewustzijn wellicht het meest opvallende kenmerk van haar werk, wat critici vaak verleidt tot veelal positief bedoelde typeringen als 'afstandelijk', 'koel', 'nuchter', 'ingehouden' of 'onsentimenteel'. Niet de psychologie van de karakters is het waar Roothaan zich op toelegt, maar de stilering van hun gedrag. “Ik ben”, zegt zij, “niet geïnteresseerd in emoties op toneel die de emotie alvast voor het publiek invullen, maar ik zoek naar vormen die het gevoel oproepen.”

In die lijn passen de door haar als haar meest inspirerende voorbeelden genoemde choreografen Pina Bausch en William Forsythe, en de ooit als architect begonnen theatermaker Robert Wilson - kunstenaars die voor alles het beeldende aspect van hun theaterwerk gemeen hebben. Zij denken in ruimte. In haar mise-en-scènes trekt Lidwien Roothaan welhaast wiskundig te noemen lijnen om de verhoudingen tussen personages zichtbaar te maken.

Roothaan: “Omdat beeld voor mij belangrijk is, verzin ik tevoren, voor de repetities, met de decorontwerper het uitgangspunt voor de voorstelling. Maar werkprocessen verlopen nooit hetzelfde en eigenlijk wil ik het als ik ga repeteren ook nooit helemáál weten. Deze keer, bij 'Bernarda Alba', heb ik decor en kostuums zelfs vlak voor de repetities weer veranderd. Ik wilde deze voorstelling echt samen met die zeven vrouwen maken, wilde dat zij hem erg mee zouden bepalen. Zij zijn het hart van 'Bernarda Alba'.”

In 'Het huis van Bernarda Alba' ('La casa de Bernarda Alba', 1936) beschrijft de Spaanse schrijver Federico García Lorca (1898-1936) de verstikkende atmosfeer binnen een vrouwenhuishouden. De zojuist weduwe geworden Bernarda houdt haar vijf dochters in de wurggreep van een acht jaar durende rouw, wat een absoluut huisarrest inhoudt en bij de huwbare dochters een alles verterende begeerte naar buiten, naar de onbereikbare man aanwakkert. “Het is”, zegt Roothaan, “een soort snelkookpan waarin die vrouwen met elkaar opgesloten zitten. De politieke lading van toen Lorca het stuk schreef - in de Spaanse Burgeroorlog is Lorca, kort nadat hij 'Bernarda Alba' schreef, door falangisten doodgeschoten, zonder vorm van proces (red.) - is nu niet meer interessant. Wel de machteloosheid van de situatie, van hoe mensen elkaar gevangenhouden, elkaar klein houden en geen verantwoordelijkheid voor hun gedrag durven nemen. Het gaat om de spiraal, de trechter waar die vrouwen in zitten.”

Het is het tweede stuk van Lorca dat Lidwien Roothaan regisseert. Acht jaar geleden, toen zij artistiek leidster van Theatergroep Carrousel was, regisseerde zij 'Bloedbruiloft', een fascinerende voorstelling die een recensente de diep bewogen uitspraak “van een koudmakende schoonheid” ontlokte. “'Bloedbruiloft' en 'Bernarda Alba' zijn de twee mooiste stukken van Lorca”, zegt Roothaan: “ 'Bloedbruiloft' is nog poëtischer, nog grilliger van vorm. 'Bernarda Alba' lijkt qua structuur eerder gewoon een stuk in drie bedrijven waarin het noodlot zich ontrolt, maar het is qua tekst en sfeer meer een gedicht dan een toneelstuk. Het is een uitdaging dat naar toneel te vertalen.”

“Bij 'Het huis van Bernarda Alba' ontdek ik vooral hoe je het níet moet doen. Het is een van de moeilijkste stukken die ik heb gedaan. Er hangt meer Spaanse folklore aan en een burgertuttig melodrama is het laatste dat ik wil. Je kunt Bernarda zelf spelen als een tiran, maar dat is niet interessant. Het is juist aardig om tegenkanten te vinden. Marlies Heuer, die de rol speelt, is daar heel goed in. Ik wil niet dat het realistisch wordt, maar ook niet zo stilistisch dat het bloedeloos wordt. Een soort gestileerd realisme; naar die balans, naar die zuiverheid, waarin ook de taal een eigen werking krijgt, zijn we op zoek.”

Roothaan gebruikt niet de bekende vertaling van Dolf Verspoor. Bij toeval stuitte ze op een vertaling van Hugo Claus, naar ze vermoedt uit het amateurcircuit: “Ik vind hem mooier, minder gedateerd en vooral wat losser, wat sjeuïger.”

'Het huis van Bernarda Alba' is de eerste en meteen gehonoreerde subsidie-aanvraag (van haar eigen stichting Het Groene Balkon) in Roothaans loopbaan. Na haar afstuderen in 1981 aan de regie-opleiding van de Amsterdamse Theaterschool kreeg ze, na enkele kleine projecten en een paar regie-assistenties bij RO Theater, bij FACT al spoedig de gelegenheid zich als beginnend regisseur te profileren. Niet lang daarna trokken Carrousel en Toneelgroep Amsterdam aan de bel. Ze koos voorlopig voor de kleinere eenheid, al liet ze en passant in een paar gast- en co-regies met Toneelgroep Amsterdam zien dat haar ingetogen stijl ook flitsend virtuoos en grotesk theater kon opleveren. Carrousel wist ze met onderhuids emotionerende voorstellingen als 'L'amour la mort', 'Bloedbruiloft' en 'De vader' van Strindberg in een mum van tijd tot vooraanstaande toneelgroep te promoveren. Na vier jaar liet ze zich in 1992 door Gerardjan Rijnders ten slotte toch in de artistieke staf van Toneelgroep Amsterdam inlijven.

Ondanks een tweetal indrukwekkende voorstellingen ('De vrouw van de zee' van Ibsen, haar eerste grote zaalproductie, en een onverwacht realistische 'De mooie onbekende' van Klaus Pohl) haakte Roothaan al na één seizoen af. “Ik had me meer van de samenwerking voorgesteld”, zegt ze, “maar ik kwam er ook achter, dat ik daar niet thuishoorde. Ik wil met mensen werken waar ik voor kies en zij voor mij. Ik wil dat mensen zich verantwoordelijk voelen voor wat je doet. Daar zit je met mensen in vaste dienst en zijn het vaak omstandigheden die bepalen met wie je werkt. Daarbij wil ik niet met dezelfde maat als die van Gerardjan gemeten worden. Hetzelfde overkwam me bij de KVS (Koninklijke Vlaamse Schouwburg) met Franz Marijnen, waar ik 'Maat voor maat' heb gedaan met mensen die ik niet kende. Het werd dan ook geen goede voorstelling. Dat moet ik dus nooit meer doen. Ik ben kennelijk niet zo iemand van: zet me ergens neer en ik maak er wat van.”

“Ik zou heel graag een eigen plek, met een eigen ruimte, willen hebben om in elk geval een keer per jaar iets van mijn eigen verlanglijstje te realiseren. Vandaar de stichting Het Groene Balkon. Netzomin echter als bij Carrousel indertijd zou ik een vaste groep van bijvoorbeeld vijf mensen willen, maar liever werken met een poule van zo'n twaalf mensen. Dan bepaalt niet de verplichting het repertoire, maar heb je de vrijheid om ook voor groter bezette stukken of monologen te kiezen.”

Als freelancer heeft Lidwien Roothaan de laatste jaren zeer uiteenlopende regies gedaan. Ze deed opera bij het Holland Festival, zomertheater bij de Gebroeders Flint, jeugdtheater met Peter Drost, Guus Ponsioen en Danstheater Arena, deed bij de KVS ook nog een kleiner toneelproject, 'Kwartet' van Heiner Müller, met zelf uitgekozen acteurs. Ze houdt ervan hele verschillende dingen te doen, zegt ze, en vond het prettig te merken dat de structuur van het jeugdtheater nog wat opener en flexibeler is dan bij het 'volwassen' repertoiretheater: “Daar word je nooit zomaar gevraagd te komen praten over wat je leuk zou vinden er te komen maken.” Met Peter Drost gaat ze na 'Moby Dick' nog een tweede productie, 'De tien geboden', maken.

Vervelend vindt ze het wel om nu met haar eigen stichting afhankelijk te zijn van wel of geen subsidie: “Dit jaar heb ik niks gekregen. Het Schnitzler-project dat ik had ingediend heb ik moeten schrappen. Je kunt niet met mensen werken die goed zijn en tegelijk verlangen dat ze het voor niks doen.” Om dezelfde reden heeft ze moeten besluiten de cast van 'Bernarda Alba', waarvoor ze minder geld kreeg dan aangevraagd, in te krimpen: “Ik heb één dochter moeten bezuinigen. De twee middelsten, Magdalena en Amelia, heb ik samengevoegd tot een. Als minst uitgesproken karakters deed dat het minste pijn. Toch is zoiets een beetje raar.”

Met het familiedrama 'Bernarda Alba' is ze terug bij een dierbaar thema in haar werk: “Familie is de ideale samenvatting van de samenleving. Het is een schaamteloze vorm van een band tussen mensen die tot elkaar veroordeeld zijn, en die je niet kan opheffen. Met familie heb je relaties die je elders niet hebt. Vooral met vrouwen. Die zet ik het liefst op toneel. Dat heeft ook met mijn familie te maken. Ik kom uit een gezin van zes meisjes en een jongen. Met meisjes zijn de verhoudingen veel emotioneler, heftiger dan met jongens. Daarin zijn extremen mogelijk, die theatraal en dramatisch interessant zijn. Ik heb altijd iets met families gehad. Als kind al tekende ik hele families, met de namen erbij, hele vellen, hele vloeren vol en die knipte ik allemaal uit. De verhalen die ik bij al die uitgeknipte poppetjes had bedacht vertelde ik aan mijn zusje, die ademloos zat te luisteren.”

“Ik wil graag ensembles op het toneel. Ik houd ervan dat iedereen even goed is. Dat probeer ik tijdens het repetitieproces te bereiken. Dat is dan ook een soort familie.” Indringers, zoals bij Pinter, kan ze daarbij niet gebruiken. Zeker geen verslaggevers, maar een dramaturg en ook de decorontwerper met wie zij veel werkt heeft ze er liever niet voortdurend bij: “De denkende fase met hem doe ik van tevoren en Floor Oskam is bovendien een te autonoom kunstenaar om inspiratie bij repetities op te doen. Misschien is het van mezelf best onzekerheid, maar als er iemand binnenkomt voel ik me bekeken, heb ik het idee dat ik een kunstje moet doen. Ik wil mezelf niet zien werken, ik wil gewoon werken.”

mailIcon print |