Aanvankelijk vonden wij die rode colobusapen maar niks. Niks in vergelijking met de chimpansees, die Bart een paar jaar geleden had bestudeerd. Dat waren grote, indrukwekkende, harige broeders en zusters, die recht voor onze neus ruzie maakten en die weer bijlegden, wier kinderen speelden en in hun overmoed al bluffend op ons af kwamen stappen. Als die chimpansees soms jacht maakten op zo'n aardig, klein, rood colobusaapje, moedigden we ze binnensmonds enthousiast aan: “Pak hem, pak hem!” Je gunt zo'n chimp zijn stukje vlees, niet waar.
Dus toen Bart de mogelijkheid werd geboden om onderzoek te doen naar wat wij spottend 'chimpenvoer' noemden, was dat even slikken. Op zich niet slecht voor zijn carrière - je kunt immers niet je hele leven achter hetzelfde beest blijven aanlopen - maar wat voor eer valt er nou te behalen aan het observeren van die enigszins saaie bladeters, die bij voorkeur onzichtbaar in vijftig tot zestig meter hoge bomen zitten? Alles wat je er welbeschouwd aan overhoudt, zijn beschadigde nekwervels van het eeuwige omhoog staren. “Interessant onderzoek dat je gaat doen”, had zijn voorganger tegen hem gezegd, “maar vergeet niet een kettingzaag mee te nemen, anders zie je niets.”
Zoals altijd als je ergens zonder illusies instapt, bleek het allemaal mee te vallen. Colobusapen zitten niet altijd hoog in de boom. En soms komen zelfs zij helemaal naar de grond om een hap van een termietenheuvel te nemen. Doodzenuwachtig, dat wel, maar met voldoende vertrouwen in ons om een sprong te wagen. Een sensatie om te zien.
En als je de apen eenmaal individueel kent, ben je na een weekje vakantie blij dat je het bos weer in kunt, om te zien hoe het is met Tinus, die nooit eens zijn kop houdt en dus altijd de aanwezigheid van zijn groep verraadt, met Zola, het opgewonden standje dat bij voorkeur laag in de boom komt zitten om ons vooral goed in de gaten te kunnen houden, met Nelus, de oude man met kale knieën die steevast achter de groep aan komt sjokken omdat hij het tempo niet meer zo kan bijbenen. Alsof het familie is.
Groot was dan ook onze schrik toen we die maandagmiddag - nietsvermoedend - omkeken, omdat we achter ons een twijgje hoorden knappen. We staarden recht in de moordlustige ogen van vier volwassen chimpanseemannen, die ons geruisloos achterop gekomen waren. Mijn eerste angst gold mijzelf. Als ik er in alle rust over nadenk, weet ik dat de kans miniem is dat chimpansees mij zullen aanvallen wanneer er boven hun hoofd zo'n dertig rode colobusapen zitten. Maar rust had ik niet en ik wist zeker dat ik het fysiek zou afleggen tegen vier chimpansees. Ik was doodsbang.
Ik stond nog aan de grond genageld, toen ze langs ons heen de boom instormden. De colobusapen begonnen dodelijk verschrikt te krijsen en de chimpansees gilden mee. Temidden van dat vreselijke kabaal hadden ze binnen een paar seconden een colobusvrouwtje te pakken. Vervuld van afschuw en met tranen in mijn ogen ben ik weggelopen, want ik kon het niet aanzien.
Inmiddels had de rest van de chimpansees zich bij de mannen gevoegd en ze begonnen het nog levende colobusvrouwtje uit elkaar te rukken. Ik hoorde haar botten kraken. De stank was niet te harden, omdat haar maaginhoud inmiddels bloot lag. Chimpansees zijn dol op ingewanden.
Vanuit de boom keken haar zwaargestresste groepsgenoten toe hoe het vrouwtje smakelijk werd verorberd. Voor vluchten, als dat ooit zin had gehad, was het nu te laat.
Ik was getuige geweest van een moord op klaarlichte dag. Sindsdien vind ik chimpansees maar niks.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.