Een keer heb ik in een walrus gezeten, zoals Jona in de vis. Van een wonder was helaas geen sprake. Het was op het droge. De ingewanden waren schoon; behoorden toe aan de marine. Maar een belevenis bleef het. Ik dacht aan de Beatles, voelde me een beetje die 'eggman' uit het liedje, waarvan ik de tekst nooit helemaal heb kunnen doorgronden.
De Amerikaanse schrijver O. Henry (1862-1910) heeft ook eens zo'n ondoorgrondelijk zinnetje aan de walrus gewijd. In het schetsje 'Vaudeville' dichtte hij de lobbes een intelligentie toe waar alleen een walvis aan kan tippen. Vaudeville, schreef hij, is een korte aaneenschakeling van theatrale nummertjes, waarbij je tot het bittere eind moet blijven zitten voor je de mogelijke dunne en losse draadjes van het verhaal kunt vinden, “dat misschien alleen de walrus kan begrijpen”.
Toen ik het journaal woensdagavond zag, wilde ik dat ik op Ameland was. Oog in oog met een walrus staan. O, koekoekedjoe. Maar net als bij de potvissen onlangs, zit ik weer eens aan de randstad vastgebonden. De agenda is vol, Utopia gesloten.
En de walrus? Die draait zich nog eens lekker om. Onverstoorbaar in het zand. Zelfs voor een groot publiek heeft Gompie nog geen last van muizenissen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.