De opgravingen in de tuin en de kelder van René Diekstra duren voort en in tegenstelling tot wat in het Belgische Jumet zich deze week afspeelt, worden heel wat lijkjes gevonden en naar boven gehaald. Het zou gaan, volgens de speurders van het weekblad Vrij Nederland, om tachtig bladzijden uit diverse Amerikaanse publicaties die de Leidse hoogleraar psychologie, televisiepresentator en schrijver van bestsellers R. F. W. Diekstra voor eigen misbruik heeft ontvoerd en in zijn eigen werk heeft begraven. Er zit van alles tussen: inleidingen die hij niet zelf heeft bedacht, jeugdherinneringen die aan anderen toebehoren of patiënten die de auteur zegt behandeld te hebben terwijl hij ze louter in boeken van collega's is tegengekomen.
Voor wie de moeite neemt het onderzoek van Ellen Danhof en Elma Verhey deze week in VN te raadplegen, kan er maar één conclusie zijn: René Diekstra is een plagiator van de bovenste plank. Niet een sluwe inbreker van andermanswerk die geraffineerd te werk gaat en geen spoor achterlaat, maar een rover die zich het eigendom van collega's met grof geweld toeëigent. Het is fascinerend om te lezen hoe professor Diekstra niet alleen ideeën, aanbevelingen, oplossingen, therapieën of patiëntenverenigingen van anderen zonder bronvermelding en bijna woord voor woord heeft gecopieerd. Maar ook hoe snel hij over een eigen levensloop en wat jeugdtrauma's kan beschikken dankzij de hulp van een Engels-Nederlands woordenboek.
Toch hebben wij medelijden met ons gevallen idool, want in zijn misstappen erkennen wij ook onze eigen tekortkomingen. Wij die in hem geloofden, die zijn boeken met belangstelling hebben gelezen en naar zijn tv-optredens hebben gekeken, weigeren het idee te aanvaarden dat wij waarschijnlijk bij de neus zijn genomen. Wij identificeren ons met het verschrikkelijke lot van de man die ons door de depressies en de ziektes naar het licht moest brengen. En onze vrolijke herder is nu zelf zwaarmoedig en suïcidaal geworden. Schreef hij niet in zijn laatste GPD-column dat hij even aan zelfmoord heeft gedacht, niemand onder ogen wilde komen en dat zijn gezin hier erg onder lijdt?
Misschien heeft hij ons wel bedrogen maar wij hebben toch heel wat plezier hieraan beleeft. Dan rest er maar één therapie over die Diekstra's fouten en onze eigen funeste naïviteit kan helpen doorslikken: wij maken van hem een martelaar. Een slachtoffer van de pers en van het winderige jachtseizoen op hoge bomen dat met deze nieuwe storm is weer opengegaan. Het is allemaal een kwestie van kinnesinne, afgunst en jaloezie de métier. Typisch Hollands natuurlijk.
Gisteren stond in Trouw een ingezonden brief van een lezer afgedrukt: het gaat om een 'vervelende Hollandse gewoonte' schreef hij, 'iemand die succes heeft wordt met graagte naar beneden getrapt'. In de Volkskrant van dezelfde dag viel hetzelfde geluid te horen. Rob uit Leiden 'die alle boeken van Diekstra heeft gelezen', is ook van mening dat als je in Nederland 'net iets boven het gras uitsteekt, dan word je neergemaaid'. Dat hebben de Van der Valks, Brinkman, Lubbers en tal van anderen ook altijd gevonden.
Maar, jammer genoeg, vrees ik dat het om iets anders gaat. Om een andere gewoonte, ook typisch Nederlands, die je ook in de handel in Hollandse tomaten, kinderporno of nederwiet tegenkomt: heel snel zoveel mogelijk geld proberen te maken. René Diekstra, evenals zijn uitgever, zijn hooguit slachtoffers geweest van hun eigen drang tot verkoopsuccessen. Het boek van de professor moest, volgens zijn laatste verweer, snel in elkaar worden geflanst zodat hij, in zijn laatste tv-optreden van het seizoen, met veel gratis publiciteit het aan de man zou kunnen brengen. Dan maar stelen van de collega's.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.