Marcel G.: “Ik werkte tot oktober 1996 als verkoopleider voor een grote firma. Toen kwam het tot een conflict met mijn chef. Ik werd ziek, een depressie. In januari reed ik voor de eerste keer, voor een kennis van een vriend, naar Malaga. Hasj halen. Dat heb ik nog twee keer gedaan. De ritjes waren voor mij een welkome afleiding. Drie dagen voor mijn laatste rit, op 5 juni afgelopen zomer, werd ik wegens langdurige ziekte ontslagen.”
“In Amsterdam werd ondertussen mijn auto 'gerepareerd' zodat ik in plaats van veertig, honderd kilo hasj zou kunnen meenemen. Toen ik de auto ophaalde om naar Spanje te rijden kreeg ik te horen dat het nog niet klaar was. Er stond een andere auto voor me gereed, die moest ik maar nemen. Een grote Amerikaanse auto voor acht passagiers. Ze zeiden mij dat ik spul bij me had. Het interesseerde me niet. Ik, idioot, dacht aan niets anders dan een uitstapje.”
“Drie dagen daarna werd ik onderweg op de snelweg Valencia richting Madrid gearresteerd. Het leek wel een speelfilm. De politie onderschepte het telefoonverkeer van mijn opdrachtgevers en wist zo van de afspraak bij het benzinestation. In mijn auto bleek zestig kilo heroïne uit Amsterdam te zitten. Toen de politie me de handel liet zien, heb ik ze recht voor hun raap gezegd dat ze mesjokke waren. Rood poeder, dat kon geen heroïne zijn. Heroïne is toch wit? Dat had ik wel eens op de televisie gezien.”
“Mijn zoon wist vanaf het begin wat ik deed. Hasj en verder niets. Ik had daar geen slecht geweten bij; maar met harddrugs wilde ik niets te maken hebben. Dat wist degene voor wie ik reed ook. Een gevangenisstraf van vijftien jaar hangt boven mijn hoofd. Wat de politie in Nederland aan medewerking verleent, is ongelofelijk weinig, zo weinig, dat mijn vrouw het ministerie van justitie een boze brief heeft geschreven. We hebben geen antwoord gekregen. Ik heb via het consulaat in Madrid al twee keer gevraagd mij iemand te sturen. Ik ben in het bezit van een handgeschreven instructie van mijn opdrachtgever met zijn vingerafdrukken. Maar niets, ze reageren op niets.”
“Ik zit met nog drie man in een cel van circa vier bij tweeëneenhalve meter. Er staan twee stapelbedden, een wc, een wastafel en wandkast, twee stoelen en een klein tafeltje. De verwarming functioneert niet. Ik heb de hele dag koude voeten. De Carabanchel-gevangenis is een smerig gebouw en de gevangenen zijn viespeuken, die zelfs in de eetzaal het snot uit hun neus drukken. Gespuugd wordt er overal. Werk is er niet, behalve vegen en eten uitdelen. Ik ben tamelijk druk bezig. Iedere dag Spaanse les, ik leer typen met tien vingers, ik lees, en luister veel naar mijn radio. Het gevangenispersoneel is zeer onverschillig. Willekeur regeert en iedere bewaker interpreteert de regels zo als het hem past. Ik mag twee keer per maand naar huis bellen en drie keer per maand bezoek krijgen: een keer in het weekeinde, veertig minuten met een glaswand ertussen, een keer door de week negentig minuten vis-a-vis met vrouw en kinderen in een kamer en een keer met mijn vrouw alleen. Die kamers zijn in ieder geval schoon. Mijn vrouw is tot nu toe drie keer geweest, met mijn jongste zoon. Eind december kwam ze voorlopig voor de laatste keer, omdat de financiële belasting te groot is.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.