*

 
dossier

Archief

Echte patiënten brullen zelden iets vanaf de brancard

AFRA BOTMAN − 18/01/97, 00:00

Ziekenhuisprogramma's zijn populair. Dat geldt voor realistische programma's als 'Ingang Oost' en 'Chirurgenwerk'. En dat geldt voor soaps en drama als 'Medisch Centrum West', 'St. Elsewhere', 'Casualty', 'Ambulance' en noem maar op. Gisteren week hervatte de Avro de in Amerika veelbekroonde serie 'ER' (Emergency Room). De uitzending in Nederland begon vorig jaar en scoorde hoog, vooral bij hoogopgeleide jonge vrouwen. Voor de een is 'ER' een beter soort doktersroman, voor de ander is het drama, met de klassieke thema's Leven, Dood en Liefde. Hoe kijken de mensen in het medisch vak eigenlijk aan tegen de aandacht voor hun beroep op televisie? “Zelf een vinger aannaaien is geen punt”, zegt een arts. “Maar er naar kijken op tv is toch wat anders.”

In de serie 'ER', die speelt op de afdeling eerste hulp van een groot ziekenhuis in Chicago, wordt vaak geschreeuwd en gerend. Klapdeuren worden opengeramd, er wordt gereanimeerd bij het leven. Medisch personeel maakt ruzie. Een vader die zijn kind heeft mishandeld krijgt een opdoffer van een kinderarts. Bij de receptie meldt zich iemand met een kleerhanger in zijn verhemelte. En bij de ingang staat een taxi, waarin een vrouw ligt te baren. Tussen de bedrijven door broeit de liefde, maar bloeit zij zelden. Geen tijd.

“Nee, zo gaat dat bij ons toch niet”, zegt Verkaik. “Wij krijgen wel eens iemand die dwars door het hoofd is geschoten. Of een ongeluk met een kleerhanger, een zware aanrijding of een mishandeld kind. Maar toch niet in het tempo waarin het op de televisie gebeurt. Onze grootste drukte hebben we gehad op een koude zondag vorig jaar. Toen zaten er dertig gebroken polsjes op een rij, in schaatskleding. Ze moesten lang wachten, en eigenlijk was het wel gezellig.”

Van de medische staf van de eerste hulp van de VU kijkt bijna niemand naar een ziekenhuisprogramma op tv. Een enkele keer naar 'Ingang Oost'. Voor dat programma is er ook bij de VU-afdeling gefilmd. Patiënten vragen bij de inschrijving soms hoopvol: 'Kom ik nou op tv? Nee? Jammer!' Het personeel mist de camera's niet. “Ik weet eigenlijk niet wat de waarde van zo'n programma is”, zegt verpleegkundige Frans. “Ik denk dat het publiek trekt dat ook bij ongelukken staat te kijken.”

Eiko Verkaik kent eigenlijk maar één medisch programma dat hij interessant vond: de documentaire die Cherry Duyns een aantal jaren geleden maakte op de kankerafdeling van de VU. “Alleen al om te zien hoe belangrijk de patiënten het personeel vonden. Daar leer je weer wat van.” Verkaik werkt ook op de trauma-helicopter en treft op de plek des onheils vaak een cameraploeg aan. “In het begin stonden ze letterlijk over mijn schouder te filmen. Maar tegenwoordig blijven ze netjes op afstand. Je moet trouwens de patiënten niet onderschatten. Ik heb wel meegemaakt dat een patiënt overeind kwam toen ze de camera zag, die wou graag op tv.”

Eerste hulp-arts Marleen, die werkt in een Noord-Hollands ziekenhuis, kijkt wel naar 'ER'. “Lekker onderuit op de bank.” De meer realistische medische programma's ziet ze zelden of nooit. “Zelf een vinger aannaaien, daar heb ik geen moeite mee. Maar om het op tv te zien is toch wat anders. Ik kan er niet tegen, zo uitvergroot. Een enkele keer kijk ik even als ze iets nieuws laten zien. Tijdens mijn co-schappen zag ik dat soort dingen in de operatiekamer, vanaf een trapje op de achterste rij. Wat dat betreft kunnen ze aan studenten beter zo'n film laten zien.”

De serie 'ER' is voor haar een romantische versie van haar werk. Natuurlijk gaat het in het echt anders, zegt ze. Maar aperte onzin zit er niet in. Van de romances merkt ze weinig, ook al gaan er wilde verhalen over de nisjes en donkere hoekjes van het oude ziekenhuis.

Anesthesist F. Rutten, hoofd spoedeisende geneeskunde van het Rotterdamse Dijkzigtziekenhuis, vindt een goede sfeer op zijn afdeling heel belangrijk. “Je gaat de hele dag met elkaar om. Je zit op elkaars lip. Ik vind ook belangrijk dat het op het thuisfront goed zit. Mensen moeten opgevangen kunnen worden.” Verpleegkundige Verkaik van de VU weet dat maar al te goed. “Ik had een keer drie gevallen van wiegendood in één maand. Dan zit je er helemaal doorheen.”

'ER' heeft meer raakvlakken met de werkelijkheid. De arrogantie bijvoorbeeld van de specialisten. “Ze weigeren soms gewoon meteen te komen. Laten ze mensen uren wachten”, vertelt Marleen. “Er zitten corpsballen bij, die je verschrikkelijk kunnen afzeiken.” Ze loopt soms te tieren in de personeelsruimte van haar afdeling, vertelt ze. “We houden de specialisten meestal de hand boven het hoofd, ook tegenover de patiënten. Maar als die bijvoorbeeld kwaad zijn omdat ze lang moeten wachten, zeggen we tegenwoordig toch: U hebt gelijk, maar u moet bij de specialist zijn met uw klachten.”

In het VU-ziekenhuis werd deze week een forum gehouden onder leiding van Ria Bremer ('Vinger aan de pols') naar aanleiding van de hervatting van 'ER'. De komende weken worden 22 afleveringen uitgezonden. De meeste mannelijke artsen in het forum kennen de serie niet, de enige vrouw in het forum, dr. A. Drenth van de Hartstichting, is een 'ER'-fan. Ze ziet het programma echt als ontspanning en heeft geen grote verwachting van de voorlichtende waarde ervan. “Maar in de praktijk schijnen de mensen zo'n serie toch als waar te ervaren.” Daarom heeft ze meegewerkt aan de Nederlandse ziekenhuissoap 'Medisch Centrum West'. Informatie gegeven over hart- en vaatziekten aan de schrijvers. Het viel bitter tegen wat ze er uiteindelijk van terugzag, vertelt ze aan Ria Bremer.

In 'ER' vallen exotische medische termen. Ze kloppen allemaal, zeggen de artsen. “Ze worden alleen wel eens verkeerd vertaald”, zegt Rutten van het Dijkzigt. “Actief koolgas werd bijvoorbeeld vertaal als radioactief koolgas, dat is toch wat anders.” Iedere aflevering van 'ER' wordt gecontroleerd op medische geloofwaardigheid. Het geslinger met potjeslatijn maakt de serie realistisch. Voor geïnteresseerde leken verscheen onlangs in de VS het naslagwerk Medicine of ER, voor de vaktermen. Er staan zelfs quizzen in, om je kennis te toetsen.

Hoe gaat het in werkelijkheid? Brullen de patiënten vanaf de brancard dat ze een shunt willen, of een defibrillatie? Nee, zegt het medisch personeel van de eerste hulp, dat valt mee. Maar je merkt wel dat mensen steeds beter zijn geïnformeerd. “En ze vragen al gauw om een fotootje”, zegt Eiko Verkaik van de VU. “Dat vinden wij niet altijd nodig en dat levert soms wrijving op. Maar ja, we zijn nu eenmaal geen dropjesfabriek waar de klant het maar voor het kiezen heeft.”

Hij laat de verschillende behandelkamers zien. Er zijn gespecialiseerde, voor bijvoorbeeld brandwonden, of voor gips. De shockroom is de grootste, bevat twee bedden en is een mini-ziekenhuis op zichzelf. Indien nodig kan er zelfs worden geopereerd. Een enkele keer wordt er gedefibrilleerd; een elektrische schok door de borst gejaagd, iets wat in 'ER' te pas en te onpas gebeurt. Het medisch tijdschrift The Lancet publiceerde er vorig jaar een verontwaardigd stuk over. In de ziekenhuisseries 'Casualty', 'ER', 'Chicago Hope' en noem ze maar op, wordt voortdurend gereanimeerd, meestal met een goede afloop. In het echt loopt het minder vaak goed af. Door de series zou het publiek een verkeerd idee kunnen krijgen, klaagde The Lancet. Producent Neal Baer van 'ER', opgeleid als medicus, reageerde schamper. Echt wat voor artsen om te denken dat patiënten achterlijk zijn. Als het publiek verkeerd geïnformeerd is, ligt het toch echt aan de medici zelf, die in gebreke zijn gebleven in het geven van informatie, vindt hij.

Er zijn veel enge ziektes, wat dat betreft kunnen de series nog een tijdje voort. Ook serieuze informatieve programma's als 'Vinger aan de pols' of 'Chrirurgenwerk' hebben aan onderwerpen nooit gebrek. Programmamaakster Ria Bremer denkt dat door de aandacht in de media de mensen nu veel beter zijn geïnformeerd. “Vijfentwintig jaar geleden moest ik praten over de ziekte K. Of kreeg ik brieven van mensen: je laat al die vieze dingen toch niet zien? Nu vindt men het heel gewoon. En trouwens, wat is er tegen dat mensen beter geattendeerd worden op hun gezondheid?”

Wat ook aardig klopt met de werkelijkheid, is dat de artsen op de eerste hulp over het algemeen jong zijn en er niet lang blijven. Ze zijn in opleiding, of wachten op een plaats in een opleiding. Voordeel is dat ze een brede ervaring opdoen. Nadeel is dat ze niet op kunnen tegen de specialisten. Eigenlijk, zegt Rutten van het Dijkzigtziekenhuis, is het een probleem dat de eerste hulp bijna louter aan jonge artsen wordt overgelaten. “Ik ken gevallen van assistenten die een goede beurt willen maken en meer handelingen verrichten dan strikt noodzakelijk is, of dan is toegestaan.” In de praktijk hebben de verpleegkundigen op de eerste hulp vaak de meeste ervaring en leiden zij voor een groot deel de artsen voor het trauma-werk op. Rutten pleit er voor dat eerste hulp een apart specialisme wordt. “Met mensen die er lang genoeg zitten en dingen kunnen herkennen. Grofweg bestaan er twee diagnoses bij de eerste hulp: pluis of niet pluis. Pluis gaat naar huis, niet pluis moet blijven. Je moet artsen hebben die daar een goede neus voor hebben.”

mailIcon print |